Bijbelrooster zondag 15 t/m zaterdag 21 januari
Elke week besteedt Puntuit aandacht aan Bijbelstudie rond een bepaald onderwerp. Deze week is het thema ”Arm”.
Zondag 15 januari 2012
Er is verschil tussen armoede en armoede. Psalm 86 ”HEERE! neig Uw oor, verhoor mij; want ik ben ellendig en nooddruftig.”
David smeekte God om hulp. Niemand weet precies van wanneer zijn gebed dateert. Vluchtte hij voor Saul? Zat Absalom hem dwars? In elk geval was hij er slecht aan toe. ”HEERE! neig Uw oor, verhoor mij; want ik ben ellendig en nooddruftig.” De Engelse Bijbel vertaalde dat begrip ellendig niet onterecht met het woord arm. Davids armoede betrof overigens niet gebrek aan eten, drinken of kleding.
David bad niet om geld, goed of bezit. Het ging hem om zijn ziel. Hij had genade en vergeving nodig. Hij bad of hij God mocht liefhebben en vrezen (Psalm 86:2,3,5,11). David vroeg als een ellendig zondaar, vertrouwend op zijn God, om leven! Als God in zulke nood voorziet, leert dat ook nu zingen van God ”die de zondaar leven doet.” Zou jij oprecht kunnen meezingen?
Of vraag je liever aan God om rijkdom? Om geld, goed en bezit? Koning Salomo deed dat niet. Hij zei: ”Armoede of rijkdom geef mij niet; voed mij met het brood mijns bescheiden deels” (Spreuken 30:8). Hij wist dat bezit gevaarlijk is. Omdat je er gemakkelijk toe komt te denken dat je God niet nodig hebt.
Ben jij ooit zo geestelijk arm geworden als David? Leerde je vergeving vragen? Ging het om je ziel, je leven? Leerde je met David meebidden: ”HEERE! verhoor mij; want ik ben ellendig en nooddruftig”?
De woorden arm en ootmoedig zijn taalkundig in het Oude Testament met elkaar verwant.
Bezitloosheid en de armoede van iemand die geen helper heeft en wiens ziel bitter bedroefd is (1 Samuël 22:2), zijn met elkaar verweven. De HEERE wil echter voor ellendige armen een Sterkte zijn. En voor behoeftigen, als zij vrees koesteren. De HEERE is een Toevlucht tegen de vloed, een Schaduw tegen de hitte (Jesaja 25:4).
Het begrip ”arm” draagt in de Bijbel vaak het karakter van geestelijke armoede. Zoals hier bij David. Socialisten verweten vroeger christenen vaak dat ze geen oog hadden voor concrete armoede: gebrek aan goed eten, kleding. Soms was dat verwijt terecht. Salomo zei: ”Rijken en armen ontmoeten elkaar; de HEERE heeft hen allen gemaakt” (Spreuken 22:2). Rijke kerkleden gebruikten die tekst om behoeftige mensen arm te houden. In deze zin: ”God wil nu eenmaal dat er arme mensen zijn.” Dus dat verwijt van de ‘wereld’ sneed –jammer genoeg– soms hout.
Maandag 16 januari 2012
Vecht tegen armoede. Deuteronomium 15:1-11 ”Alleenlijk, omdat er geen bedelaar onder u zal zijn.”
Misschien heb je nog een opa of oma die de Tweede Wereldoorlog bewust meemaakte. In Rotterdam, of Amsterdam. Zij herinneren zich ongetwijfeld wat honger is. En dat ze zelfs voor veel geld niet aan eten konden komen. Van zulke armoe vertelt ook de Bijbel. De armoede waarover David in Psalm 86 sprak, was geestelijk van aard. Vaak duidt echter het woord arm in de Bijbel op bezitloosheid.
Er was altijd armoede. Mozes wist er al van dat ”de arme niet zal ophouden uit het midden van het land” (Deuteronomium 15:11). En de discipelen protesteerden een vrouw een albasten fles met dure zalfolie over Jezus’ hoofd uitgoot. Maar de Zaligmaker zei: ”De armen hebt gij altijd met u” (Matthéüs 26:8).
Toch wilde God niet dat er onder Zijn volk mensen zouden vervallen tot de bedelstaf (Deuteronomium 15:4). Hij had iedere Israëliet zijn erfdeel gegeven. Maar elk zevende jaar was een jaar van vrijlating (Deuteronomium 15:1). Dan was iedere schuldeiser verplicht zijn financiële vorderingen prijs te geven. Als iemand zijn schuld in dat zevende jaar nog niet had betaald, kon de schuldeiser er naar fluiten.
Die tendens –Gods zorg voor de armen– valt ook in het Nieuwe Testament te vinden. De rijke jongen die tot Jezus kwam, moest zijn bezit verkopen en aan de armen geven (Matthéüs 19:21). De Heere Jezus zei tegen de wetgeleerden en de Farizeeën: Nodig niet je vrienden uit voor de lunch of het diner, maar armen, verminkten, kreupelen en blinden (Lukas 14:13). Voor de apostel Paulus was zorg voor de armen een christelijke deugd, een goed werk. Hoewel hij zich verzette tegen uitdelen zonder de liefde van Christus (1 Korinthe 13:3).
Dus toen Lukas schreef over de het kiezen van diakenen (Handelingen 6:1-3) voerde hij niet iets nieuws in. Dat lag helemaal in de lijn van de oudtestamentische verplichting tot zorg voor de armen.
Je mag die zorgzaamheid niet uitsluitend overlaten aan diakenen in de christelijke gemeente waartoe je behoort. Paulus gebruikte het lijden van de Heere Jezus als motief om aan de armen te geven. Hij is ”om uwentwil arm geworden, daar Hij rijk was, opdat gij door Zijn armoede zoudt rijk worden” (2 Korinthe 8:9). Vecht tegen armoede! En denk niet alleen aan behoeftigen of bedelaars dichtbij, denk ook aan armen ver weg (Galaten 6:10).
Dinsdag 17 januari 2012
Genade maakt gul voor arme medemensen. Psalm 112 ”Hij strooit uit, hij geeft de nooddruftige.”
Bisschop Nicolaas van Myra zou in de vierde eeuw hebben uitgeblonken door zijn goede werken. Zijn zwarte knecht strooit –onder hen die dat willen– ook in de eenentwintigste eeuw nog elk jaar gul met pepernoten. Wie goed leeft krijgt cadeau’s. Wie z’n best niet deed, krijgt slaag. Gelukkig gaat God zo niet met Zijn volk om. Want dan zou er slechts sprake zijn van straf. Maar de Heere bewijst genade. God maakt geestelijk dode mensen levend, ondanks hun zonde (Eféze 2:1). Hij kan ook jou door Zijn Woord en Geest trekken (Johannes 16:8-11). Dan leer je Hem vrezen en liefhebben (Psalm 112:1).
Dan laat God genadig Zijn licht opgaan in de duisternis van jouw zondige hart. Dat biedt –vroeg of laat– vrede, blijdschap, hulp, verlossing in plaats van tegenspoed, ellende, droefenis en verdriet. Wat een wonder! Geen beloning. Enkel genade. Dan ga je je ook barmhartig, genadig en rechtvaardig gedragen jegens medemensen (Psalm 112:4). Als God je bekeert, krijg je oog voor behoeftigen en armen. Je wordt gul. Je gaat uitstrooien (Psalm 112:9). Niet omdat dat nou eenmaal moet! Nee, je gaat je realiseren dat zelfs je geld van God is.
Het Hebreeuws, de taal waarin het Oude Testament oorspronkelijk is geschreven, kent diverse woorden voor armoede. Niet zelden worden ze vertaald door ellende. Soms hebben zij betrekking op verdrukking of vernedering. Mensen die arm zijn hebben geen eigen grond en kunnen dus niet oogsten. Dat is erg! Dat leidt tot honger. Wie arm is gaat door voor gering, of zwak. Arm zijn, is afhankelijk worden van andere mensen. Of –ja zulke armen zijn er ook– van God.
Wie in het Oude Testament niet voor de armen zorgde, bewees daarmee eigenlijk God niet te kennen. Zo iemand had geen gerechtigheid, geen bestaansrecht voor God. Maar Salomo prees in het bijzonder de voorbeeldige, deugdelijke huisvrouw die ”haar handpalm uitbreidt tot de ellendige” en ”haar handen uitsteekt tot de nooddruftige” (Spreuken 31:20). Zij hielp niet alleen haar eigen huisgezin, maar ook de armen.
Herken jij iets van die vrouw in je eigen leven? Of zit je vast aan je geld en goed? Wat is het een wonder als met recht van je gezegd mag worden: ”Hij heeft gestrooid, hij heeft de armen gegeven; zijn gerechtigheid blijft in der eeuwigheid” (2 Korinthe 9:9).
Woensdag 18 januari 2012
Armen hebben een zwaar leven. 2 Koningen 25:1-12 ”Van de armsten des lands liet de overste der trawanten enigen overig tot wijngaardeniers en tot akkerlieden.”
Juda toonde zich ontrouw aan de HEERE (Jeremia 2:21). De Judeërs braken het verbond met God (Jeremia 11:10). Zij dienden afgoden (Jeremia 1:16). Zij hielden sociaal onrecht in stand (Jeremia 34:8-22). Jeremia had het volk tot en met gewaarschuwd. God zou Nebukadrezar, de koning van Babel, gebruiken als Zijn knecht. Juda luisterde niet naar Jeremia’s oproep tot bekering (Jeremia 25:4-7). Het zou worden weggevoerd naar dat verre land.
Nebukadrezar nam de aristocratie van Juda mee. Hij voerde alle vorsten die financieel nog iets in de melk te brokkelen hadden naar Babel. De koning liet natuurlijk ook de geoefende militairen niet in Jeruzalem blijven. Juda had zich te vaak onbetrouwbaar getoond. Stel je voor dat de soldaten de lont in het kruitvat zouden gooien en opnieuw rebelleren. Ook alle vaklui, timmerlieden, smeden, moesten het veld ruimen. Alleen van het verarmde proletariaat liet de overwinnaar wat mensen achterblijven (2 Koningen 25:12).
De koning van Babel voerde de machtigen weg (Ezechiël 17:13). Hij liet alleen arme plattelanders ontkomen aan de deportatie. Zij hadden waarschijnlijk bij de Babylonische dreiging veiligheid gezocht in Jeruzalem. En omdat Nebukadrezar het land niet tot een woestijn wilde laten worden, moesten die armen maar voor de wijngaarden en de akkers gaan zorgen (Jeremia 39:10). Dat berooide overblijfsel zou een hard, moeilijk leven hebben.
Die wegvoering vormt een voorbeeld. Lang na de Babylonische ballingschap ging op dezelfde manier de kerk in het Midden-Oosten teloor. Door de opmars van de islam? Ja, maar ook, omdat die kerk het –netjes, godsdienstig, maar toch– op een akkoordje gooide met de wereld. Heidense zonden charmeerden Juda. Later bekoorde dat kwaad ook kerkmensen. Toen gingen ook de christelijke kerken in grote steden als Edessa en Carthago te niet. God strafte. Via de koning van Babel. Of via de islam. Zou Hij de zonden van West-Europa door de vingers zien?
Wat heeft de HEERE Zijn verbondsvolk door de profeten laten waarschuwen. Zo mogen wij, jij, ik, de nieuwtestamentische kerk, ook Gods Woord hebben en horen. Wat is God goed en genadig! Wie zich bekeert, ontkomt aan het uiteindelijk oordeel. Ook als de armen mogen blijven, krijgen ze echter een zwaar leven. Maar het kan. Als je Hem kent van wie Paulus schreef dat Hij ”om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was” (2 Korinthe 8:9).
Donderdag 19 januari 2012
Aan God geven van je armoe. Lukas 20:45-21:4 ”Hij zag ook een zekere arme weduwe twee kleine penningen daarin werpen.”
De Heere Jezus zag hoe rijke Joden geld in de schatkist gooiden (Lukas 21:1). Hoe kwam die kist daar? Zij dateerde niet uit Mozes’ tijd. Zij was gemaakt op last van koning Joas van Juda. De tempel zag er toen nogal vervallen uit. Joas’ oma, koningin Athalia (2 Kronieken 22:10,11) diende immers afgoden, de Baäls (2 Kronieken 24:7). Toen nam priester Jojada een kist. Hij boorde een gat in het deksel en zette die bij het altaar. Het geld dat de mensen er in gooiden was destijds bestemd voor de tempelrestauratie (2 Koningen 12:11-12).
Die schatkist stond er nog altijd tijdens het aardse leven van de Heere Jezus. Zo heel heilig was zij niet. Want niet Bezaleël en Aholiab hadden de kist voor de tabernakel gemaakt (Exodus 31:7-11). Maar toen Judas wroeging kreeg –na de arrestatie van de Zaligmaker– en toen hij z’n verradersloon de tempel in gesmeten had, mocht dat geld toch niet in de offerkist van de huichelachtige overpriesters. Dat geld was immers onrein, een bloedprijs (Matthéüs 27:6). Hoewel ze het prima vonden Jezus verraderlijk op te laten pakken.
Hoe dan ook: een weduwe wierp haar offer voor de Heere in de kist. Twee stukjes kopergeld (Lukas 21:2). De evangelist kende haar naam niet eens: Een zekere weduwe. Een niet nader te noemen persoon. Onbekend. In elk geval was ze arm. Hoe wist de Heere Jezus dat? Arm, dat is behoeftig, beklagenswaardig, bezitloos, armzalig. Mogelijk zag ze er sjofel uit. Maar Jezus kende haar. Hij wist dat zij, nadat zij haar kleingeld –meer was het niet– in de offerkist gegooid had, niets meer had om eten te kopen (Lukas 21:4). Is het niet rijk als Jezus je kent?
Waarom deed die vrouw dat? Ze had God lief. Zo gaat dat, als de Heere Jezus je kent. ”Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad” (1 Johannes 4:19). Dan krijg je, net als die weduwe, alles over Zijn dienst. Dan zing je graag met David mee: ’k Doe Uw geboôn oprecht en welgezind; Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdroten (Psalm 119:167). In wie herken jij jezelf? In die rijken met hun geld? Of in die weduwe? Minder je graag wat op je kerkgeld, in ruil voor een paar rollen mentos? Of heb je Gods dienst lief?
Vrijdag 20 januari 2012
Evangelie voor armen. Matthéüs 11:1-6 ”De armen wordt het Evangelie verkondigd.”
Johannes de Doper vroeg: ”Bent U nou echt de lang verwachte Messias of niet?” (Matthéüs 11:3). Groeide er twijfel in zijn hart? Dat kan. Hij was een mens. Anderen denken dat niet Johannes, maar een paar van zijn leerlingen moeite hadden met het aanvaarden dat Jezus van Nazareth de Messias was. Dat kan ook. Of denk je soms dat een kind van God nooit twijfelt en altijd –om zo te zeggen– blijdschap en zaligheid op zak heeft? Was het maar waar.
Johannes zat gevangen. Had dan Jesaja niet beloofd dat de Messias kwam ”om gevangenen vrijheid uit te roepen”? (Jesaja 61:1). Ja, maar hij, Johannes, zat juist vast! Toch sloot Jezus, als opperste Wijsheid (Spreuken 8:1), in Zijn antwoord precies aan bij die oudtestamentische profetieën van Jesaja . ”De blinden worden ziende” (Jesaja 29:18). ”De kreupelen wandelen” (Jesaja 35:6). En: ”De armen wordt het Evangelie verkondigd” (Matthéüs 11:5; Jesaja 11:4).
Welke armen? Dat wist Johannes heel goed. Dat ging niet om louter financiële armoe van een groep uitgebuite proletariërs. Jezus doelde ook op geestelijke armen. Luister maar naar Zijn gelijkenis over de tollenaar. Die bad: ”O God! wees mij zondaar genadig!” (Lukas 18:13). Terwijl tollenaars doorgaans tot de rijke klasse behoorden. En kijk bovendien eens naar Zacheüs. Die ging juist uitdelen van zijn rijkdom aan arme mensen (Lukas 19:8).
Johannes wist wie Jezus met die armen bedoelde. Markus schreef over ”het begin des Evangelies van Jezus Christus” (Markus 1:1). Dat betreft het begin van Jezus’ heilswerk. Toen startte Markus met te vertellen over het optreden van de Doper. Daar begon het Evangelie. Bij de boeteprediker. Bij bekering, het belijden en vergeving van zonden. Kennelijk is dat het begin van het Evangelie. Juist voor zulke armen had Johannes aangewezen: ”Zie het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt!” (Johannes 1:29).
Misschien heb jij soms ook last van twijfel en strijd. Nou, Paulus had ook al last van een scherpe doorn, de satanische engel die hem met vuisten sloeg (2 Korinthe 12:7). Hij schreef: ”Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?” (Romeinen 7:24). Iedere christen kent af en toe strijd of twijfel. De Heere Jezus zei immers: ”Een dienstknecht is niet meerder dan zijn heer (Johannes 15:20). Toch is Hij het Lam Gods voor de armen.
Zaterdag 21 januari 2012
Armen van geest. Matthéüs 5:1-12 ”Zalig zijn de armen van geest….”
Waar komt het op aan in het leven? Rijkdom is geen zonde. Je geniet evenmin speciale voorrechten, als je geen stuiver hebt om uit te geven. Het maakt niet uit of je rijk of arm bent. De vraag is, of God, Zijn wet, Zijn liefde en Zijn Evangelie je leven beheersen. Dat was bij de rijke man in de gelijkenis die Jezus over Lazarus vertelde niet het geval (Lukas 16:19-31). Hij was een baas, kende geen barmhartigheid en beleefde zelfs geen berouw. En Lazarus? Die zou je kunnen zien als het type van de door Jezus zalig gesproken armen (Matthéüs 5:3).
De figuur Lazarus in die door Jezus vertelde gelijkenis had niets. Je zegt: ”O, dus daarom liet Lukas bij het woord ”armen” dan zeker de toevoeging ”van geest” weg? Hij vermeldt slechts dat Jezus zei: ”Zalig zijt gij, armen, want uwer is het Koninkrijk Gods” (Lukas 6:20). Dus Jezus spreekt juist mensen zalig die geen bezit hebben? Geen geld. Geen huis. Geen bed. Geen eten.” Neen! Lazarus ging naar de hemel. Dat was rijk! En typerend voor die figuur in de gelijkenis was het zich volledig afhankelijk weten van God en Zijn vrije genade.
Lukas vertelde dat Jezus, toen Hij de armen zalig sprak, Z’n ogen opsloeg over de discipelen. Dus Hij bedoelde ook hen. Nou waren de leerlingen van de Zaligmaker niet schatrijk. Zo schrijft trouwens ook de apostel Paulus over gelovigen: Jullie zijn niet vele machtigen, niet vele edelen” (1 Korinthe 1:26). Toch waren de discipelen ook geen straatarme bedelaars. Beslist niet. Zij deelden zelfs gaven uit aan echte armen ( Matthéüs 26:9,11).
Maar die discipelen waren wel Godvrezende mensen. Zoals ook de figuur van Lazarus zich afhankelijk wist van Gods genade. Niet voor niets vertonen de door Matthéüs opgeschreven zaligsprekingen negen verschillende aspecten. Degenen die als armen van geest te boek staan, zijn tegelijk zachtmoedigen, treurenden, mensen die hongeren en dorsten naar gerechtigheid, barmhartig, rein van hart, vreedzaam. Zij worden vervolgd en gesmaad. Om Jezus’ wil.
”Zalig zijn de armen van geest….”. Daar had Jesaja het ook al over. ”Op dezen zal Ik zien, op den arme en verslagene van geest, en die voor Mijn woord beeft” (Jesaja 66:2). Aan welke kant sta jij? Aan die van de rijke man? Of aan de kant van Lazarus?
Kleinste man in rugzak de wereld over