Bijbelrooster zondag 29 januari t/m zaterdag 4 februari
Elke week besteedt Puntuit aandacht aan Bijbelstudie rond een bepaald onderwerp. Deze week is het thema ”Wedergeboorte”.
Zondag 29 januari
Jakobus 1:17-22 - Wedergeboorte is geen reïncarnatie.
Jakobus 1:18: ”Naar Zijn wil heeft Hij ons gebaard door het Woord der waarheid.”
„Wedergeboorte? Doe niet zo moeilijk. Je moet gewoon geloven. Dan kom je straks wel in de hemel.” Er zijn best mensen die zo praten. Maar je Bijbel legt de macht niet bij de vrije wil van een mens. Het Woord van God vertelt dat de Almachtige door de prediking van het Evangelie en het werk van de Heilige Geest in zonden gevallen mensen nieuw leven brengt. De apostel Petrus noemt dat wedergeboorte (1 Petrus 1:23). Jakobus gebruikt soortgelijke woorden: ”Naar Zijn wil heeft Hij ons gebaard door het Woord der waarheid” (Jakobus 1:18).
Beetje ouderwets? Nee hoor! Het begrip wedergeboorte heeft meer betekenissen. De vernieuwing van kunst en wetenschap in de vijftiende en zestiende eeuw heet de Renaissance. Dat betekent letterlijk: wedergeboorte. Daarbij was in zekere in ook sprake van wedergeboorte van de mens. Maar anders dan in de Bijbel. In de renaissance ging het om nieuwe opvattingen over het mens zijn en het leven op aarde. Over de vraag of leven wordt bepaald door de natuur of door God. Wetenschappen als natuurkunde, sterrenkunde en geneeskunde gaan sterk vooruit.
Het woord wedergeboorte kan trouwens ook duiden op reïncarnatie. Dat is de leer dat een menselijke ziel na de dood in een andere lichamelijke bestaanswijze terugkeert. De een keert terug als een muis. De ander als belangrijk mens. Oosterse godsdiensten zijn in 2012 volop in trek. Nederland telt heel wat hindoes en boeddhisten. Volgens hun opvatting komt iedereen na zijn dood terug. Op een andere manier. Hoe hij terugkomt wordt bepaald door karma. Dat is de optelsom van al iemands goede en slechte daden en gedachten tijdens zijn aards bestaan.
Rond het begin van de jaartelling gebruikten ook Griekse filosofen het begrip wedergeboorte. De wijsgeer Philo, uit de grote Egyptische stad Alexandrië, zette op schrift dat de aarde zal vergaan en helemaal vuur wordt. Hij verwachtte vernieuwing van de wereld. Dat noemde hij wedergeboorte. Hij hanteerde hetzelfde woord als de bijbelschrijvers voor wedergeboorte gebruiken.
Voor christenen heeft het begrip wedergeboorte een heel andere inhoud dan voor heidenen. Wedergeboorte hangt in de Bijbel samen met het door Christus verdiende nieuwe leven. Voor zondaren. Petrus schreef dat God de drijfveer is achter die wedergeboorte (1 Petrus 1:23). God ”heeft ons gebaard”, schreef Jakobus. Zou het niet boeiend zijn dat nieuwe leven te zoeken?
Maandag 30 januari
Johannes 3:1-6 - Zonder wedergeboorte geen toegang tot Gods Koninkrijk.
Johannes 3:3: ”Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien.”
Was Nicodémus oud toen hij ’s nachts Jezus opzocht (Johannes 3:2)? Had hij er twintig jaar eerder misschien bij gezeten, toen de twaalfjarige Jezus in de tempel Joodse leraren ondervroeg (Lukas 2:46)? Nog altijd gingen de woorden van de Zaligmaker hem boven de pet. Het Grieks gebruikt voor de uitdrukking ”wederom geboren worden” in Johannes 3:2 en 7 de woorden ”verwekt worden van boven af”? Nicodémus snapte het niet. Mogelijk dacht óók hij dat geloven zoiets is als het louter verstandelijk aanvaarden van waarheden.
Nicodémus, jij, ik, iedereen moet ”van boven af verwekt” worden. Jezus bedoelde: Het nieuwe leven komt niet uit een menselijke baarmoeder. Het is geen resultaat van vleselijke geboorte. Christus verdiende en de Heilige Geest werkt die nieuwe geboorte (Eféze 2:1,6; Johannes 3:5,6). Als je daar over na denkt, kun je stil worden van een ontzag. God is de Eeuwige. Dus als Hij in jou bestaan nieuw leven verwerkt, is dat eeuwig leven. Ongelooflijk! Eeuwig leven? Voor mij? Een zondaar! Liefde (1 Johannes 4:9)!
Dat nieuwe leven is van andere orde dan de vroomheid van Nicodémus. Hij was een brave man, nauwgezet levend naar de vaderlijke voorschriften. Toch moest hij leren leven van genade en niet van het volbrengen van de wet (Romeinen 3:20). Hij moest leren leven in hartelijke liefde tot God en Zijn heilzame geboden (1 Johannes 5:3). En als de Geest het nieuwe leven verwekt, hebben jij en ik daarop geen directe invloed. Is dat niet buitengewoon ergerlijk voor jou en mij. Paulus noemt mensen vijanden van genade (Romeinen 5:10).
„Wedergeboorte? Je moet gewoon geloven. Dan kom je wel in de hemel.” Vergis je niet! Bij Nicodémus kwam er een ogenblik dat hij de weg niet meer wist. Ook de profeet Amos ontmaskerde de gerusten in Sion (Amos 6:1). Jesaja tekende ”Uw heilig volk” als onrein. Ondanks het feit dat ze naar God vroegen. Zijn verbondsvolk, bevoorrecht: onrein! De profeet beleed ootmoedig en hij rekende er zichzelf bij: „Al onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed” (Jesaja 64:6). Die onreine vodden en lompen getuigen tegen ons.
Als de drie-enige God nieuw leven geeft, maakt dat iemand burger van een ander Koninkrijk. Natuurlijk krijg je dan de geboden van Gods Koninkrijk lief. „Gij zijt Mijn vrienden, zo gij doet wat Ik u gebiede” (Johannes 15:14).
Dinsdag 31 januari
1 Petrus 1:1-9 - Wedergeboorte biedt levende hoop.
1 Petrus 1:3: ”Geloofd zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren, tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden.”
Waarom gebruikte Petrus het begrip wedergeboorte? Hij was leerling van z’n Meester, Jezus (Johannes 3:3). Petrus hanteerde voor dat ”heeft wedergeboren” (1 Petrus 1:3, 23) eigenlijk ’n werkwoord dat betekent: ”doen wedergeboren worden”. Dus opnieuw: wedergeboorte komt van de andere kant. Want Petrus noemt God de Vader als drijfveer daar achter. Door wedergeboorte burger van Gods Koninkrijk. Met andere wetten en verdriet over de zonde? Vind je dat erg? Ik hoor je zeggen: „Nee. Zijn liefdedienst heeft mij nog nooit verdroten.”
De apostel Paulus tekende het beeld van de mens. Niemand rechtvaardig. Niemand verstandig. Niemand die God zoekt. Afgeweken. Onnut. Niemand die goed doet (Romeinen 3:10-12). Dood door de misdaden en de zonden (Eféze 2:1). Als je dat ervaart, hoe kun je dan ooit nog nieuw leven krijgen? Wedergeboren worden? Jezus Christus droeg in de plaats van zondaren de straf die hen de vrede aanbrengt (Jesaja 53:5). En door Zijn opstanding uit de dood kan Zijn God en Vader verloren zondaren de wedergeboorte schenken (1 Petrus 1:3).
Het nieuwe leven wordt gewerkt door de kracht en de prediking van het Woord van de opgestane Christus. De Heilige Geest fungeert als Gods gereedschap. Het resultaat van die wedergeboorte bestaat in levende hoop, schreef Petrus.
Hoe gaat dat in z’n werk? Begint dat nieuwe leven met halleluja roepen? Of met de zekerheid van: Nu ben ik gered? Of begint het met het geloven van Gods hele Woord. Dus ook als Paulus zegt dat „het bedenken des vleses vijandschap is tegen God” (Romeinen 8:7). Jij, ik, wij zijn zondig slecht! Je hebt geen vrede met God. Door eigen schuld. Je kunt God niet meer missen. Je krijgt God lief boven alles. De boete en lofpsalmen beginnen te zingen in je hart. Je vraagt onderwijs. Je klopt. Je bedelt. Je bidt. En je komt –vroeg of laat– tot de levende hoop waarover Petrus sprak. Die hoop is een dochter van het geloof (Romeinen 5:1). De hoop van het eeuwige leven, die door alle verdrukking en aanvechting heen uiteindelijk alle zwarigheden overwint. Die hoop beschaamt niet, omdat God zijn liefde in je hart heeft uitgestort (Romeinen 5:5).
Zou de Heere je altijd in je ellende laten zitten? Heeft Hij niet Zelf gezegd: „Zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden” (Matthéüs 7:7)?
Woensdag 1 februari
1 Johannes 3:1-11 - Wie wedergeboren wordt, krijgt een afkeer van zonde.
1 Johannes 3:9: ”Een iegelijk, die uit God geboren is, die doet de zonde niet”.
„Zag je dat jongetje van de buren? Sprekend z’n vader hè!” Zo gaat dat tussen mensen onderling. Als je uit God geboren bent, krijg je ook trekken van Hem die dat nieuwe leven verwekte. Hoe zit dat? God heeft een afkeer van de zonde (Job 34:10). En die weerzin tegen het kwaad ga je delen. Dus je blijft liever een kilometer bij de zonde vandaan, dan dat je er een millimeter te dicht bij zou komen. Je wilt niet meer wandelen naar het vlees, geen dienstknecht meer zijn van de zonde (Romeinen 8:1; 6:17). Je wilt niet meer leven overeenkomstig het schema dat in de zondeval over de schepping is gelegd.
Nu zegt iemand: „Ja, dat geloof ik wel. Maar ik ervaar hoe mijn hart enerzijds naar God uitgaat en tegelijk steeds naar de zonde trekt. Toch staat er in de Bijbel dat wie uit God geboren is, „de zonde niet doet” (1 Johannes 3:19). Nou dan! Ik zie nog allerlei kwaad in m’n hart. Dus dat „uit God geboren zijn” zal bij mij wel niet echt zijn!” Let op. Tal van kinderen van God vielen in zonde. Noach (Genesis 9:21). David (2 Samuël 11:4). Salomo (1 Koningen 11:1). En nog veel meer. Toen Johannes schreef dat een kind van God niet zondigt, bedoelde hij dat je de zonde niet laat heersen in je leven.
Wat zijn de eigenschappen van iemand die „uit God geboren” is? Je voelt je niet meer thuis in de zonde als een vis in het water. Wie uit God geboren is doet rechtvaardigheid (1 Johannes 2: 29). Voor wie „uit God geboren” is, geldt dat de zonde hem de dood wordt (Romeinen 7:13). De zonde moet gekruisigd worden (Romeinen 6:6).
De keerzijde van die gekruiste liefde tot de zonde is de liefde tot God. Het is kenmerkend voor iemand die „uit God geboren” is, dat hij God kent (1 Johannes 4:7). Eerst als de Rechtvaardige. Ook als de Genadige. Wie gelooft, dat Jezus is de Christus, is uit God geboren (1 Johannes 5:1). Dat betreft niet een oppervlakkig, verstandelijk beamen van een dogma. Als zonde je de dood wordt, kun je geen kant meer op. Dan kan alleen een Zaligmaker je nog redden. De duivel krijgt je niet meer definitief te pakken (1 Johannes 5:18).
Donderdag 2 februari
Mattheüs 19:16-30 - Wedergeboorte vertelt: „U is een beter lot bereid…”
Matthéüs 19:28: ”Jezus zei tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat gij, die Mij gevolgd zijt, in de wedergeboorte… dat gij ook zult zitten op twaalf tronen.”
De Heere Jezus zei tegen Nicodémus dat het nodig is „wederom geboren te worden” (Johannes 3:3). Petrus loofde God, omdat Hij „ons heeft wedergeboren” (1 Petrus 1:3). En de apostel Johannes gebruikte de uitdrukking ”uit God geboren zijn” (1 Johannes 3:9). Dat zijn allemaal formuleringen die betrekking hebben op dezelfde zaak: wedergeboorte. In het Nieuwe Testament komt ook het woord wedergeboorte als zodanig nog twee keer voor. Eigenlijk betekent dat twee keer voorkomende begrip in het Grieks: terugkeer tot het bestaan.
Zo gebruikte althans de oude Griekse wijsgeren dat woord. Zij verwachtten dat een wereldbrand de wereld en het heelal zou doen vergaan. En dan bedoelden zij niet een definitieve verwoesting. Die wereldbrand zou een wedergeboorte vormen van de hele kosmos. Het resultaat zou zijn dat de wereld en het heelal er weer uit zouden komen. Maar zij zouden nog altijd dezelfde kosmos vormen. Het Nieuwe Testament geeft echter een andere vulling aan dat begrip wedergeboorte dan de heidense filosofen.
Matthéüs 19 gebruikt ook het woord wedergeboorte. Dat duidt niet slechts op de individuele wedergeboorte van een mens tussen de wieg en het graf. Het wijst naar de „wederoprichting van alle dingen” (Handelingen 3:21). Dat wil zeggen: de dag van het laatste oordeel. Alle mensen die door een waar geloof één geworden zijn met Christus, worden dan naar ziel en lichaam volkomen vernieuwd (1 Korinthe 15:42). Dan is het uit met de zonde. En dan krijgt de kosmos weer zijn oorspronkelijke bestemming.
Die kosmos is niet –zoals bij de Griekse wijsgeren– dezelfde oude wereld en hetzelfde oude heelal. Het woord wedergeboorte in Matthéüs 19:28 duidt op een totaal vernieuwde wereld. Al in het Oude Testament zag Jesaja reikhalzend uit naar die nieuwe schepping. God zei: „Want ziet, Ik schep nieuwe hemelen en een nieuwe aarde en de vorige dingen zullen niet meer gedacht worden, en zullen in het hart niet opkomen” (Jesaja 65:17). Later zag Johannes op Patmos een nieuwe hemel en een nieuwe aarde (Openbaring 21:1).
Ben jij de zonden ook zo zat? Omdat ze de lieve Heere zo’n verdriet doen. Mag jij het Bunyan vol verlangen en verwondering nazeggen: Alle hemelklokken zullen luiden, als deze zondaar daar mag binnengaan? Wat zal dat een wonder zijn als God alle tranen afwist! U is een beter lot bereid… (Openbaring 21:4,5)!
Vrijdag 3 februari
Titus 3:1-11 - Wedergeboorte: afwassing van je zonden.
Titus 3:5: „Hij heeft ons zalig gemaakt, niet uit de werken der rechtvaardigheid…, maar… door het bad der wedergeboorte en vernieuwing van de Heilige Geest.”
De Heere Jezus verwees naar de dag van het laatste oordeel (Matthéüs 19:28). Toen Hij daarbij het woord wedergeboorte noemde, had dat te maken met de schepping van nieuwe hemelen en een nieuwe aarde (Jesaja 65:17; Openbaring 21;1). Toen de apostel Paulus in zijn brief aan Titus datzelfde woord gebruikte, sloeg dat echter op het strikt individuele, de wedergeboorte van een mens. Zoals Nicodémus dat nodig had (Johannes 3:3). Wedergeboorte die leidt tot levende hoop door de opstanding van Jezus Christus uit de doden (1 Petrus 1:3).
Toen Paulus schreef dat Christus „ons heeft zalig gemaakt, niet uit de werken der rechtvaardigheid” (Titus 3:5) legde hij een link naar mensen zoals Nicodémus. Tegen zulke mensen –ben jij dat misschien? Of ik?– zei de Heere Jezus: Het Koninkrijk Gods verdien je niet in door eigen prestatie. Je krijgt alleen toegang uit barmhartigheid of genade. Je leert al je eigen goede werken als onvoldoende afkeuren (Jesaja 64:6). Omdat je zo tekort schiet in de liefde tot God. Of vloeit dat erkennen van je tekort misschien juist voort uit de liefde tot God?
De apostel Paulus had het in zijn brief aan Titus over „het bad der wedergeboorte” (Titus 3:5). Wat bedoelde hij? Wie wedergeboren wordt, leert amen zeggen op Paulus aanklacht: ”Ook wij waren eertijds onwijs, ongehoorzaam, dwalende, menigerlei begeerlijkheden en wellusten dienende, in boosheid en nijdigheid levende, hatelijk zijnde, en elkander hatende” (Titus 3:3). „Maar, o Heere God, hoe raak ik die schuld, die onreinheid toch ooit kwijt? Ze achtervolgt mij! Dagelijks!” Je zonden moeten worden vergeven, afgewassen. De vernieuwing door de Heilige Geest is als een waterbad, waardoor de Heere de vuiligheid van onze zonden in beginsel wegneemt. Heb je daar recht op? Nee. Bedel dan maar. Zoals Lazarus (Lukas 16:20).
En als de Heere hoort? Dan leer je leven van genade en niet van het volbrengen van de wet (Romeinen 3:20). Maar zo iemand leert wel leven in hartelijke liefde tot God en Zijn heilzame geboden (1 Johannes 5:3). Daarom schreef Paulus: „Dat ook de onzen leren, goede werken voor te staan” (Titus 3;14). Maar tegelijk had Paulus ook weet van voortdurende strijd. „Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods” (Romeinen 7:24). Wedergeboorte is een daad van God en krijgt vervolg in dagelijkse bekering.
Zaterdag 4 februari
Ezechiël 36:16-27 - Wedergeboorte leert andere zondaren zaligheid en genade gunnen.
Ezechiël 36:27: „Ik zal maken, dat gij in Mijn inzettingen zult wandelen.”
Het woord wedergeboorte ontbreekt in het Oude Testament, maar niet de zaak. Telkens verschijnt in het Oude Testament de boodschap dat het menselijk hart vernieuwd moet worden. In dat hart klopt het leven. Het is de drijvende oorzaak achter het menselijk doen en laten. Het is de zetel van aandoeningen van allerlei aard. Het is de bron van moed. Het hart is het geestelijk centrum van bezinning en overleg. Het hart geeft leiding aan het geheel van het leven.
De HEERE zei via Ezechiël: „Ik zal rein water op u sprengen, en gij zult rein worden.” Tussen haakjes: het beeld van de doop. Rein worden „van al uw onreinigheden en van al uw drekgoden… Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwe geest geven in het binnenste van u… en Ik zal Mijn Geest geven in het binnenste van u; en Ik zal maken, dat gij in Mijn inzettingen zult wandelen, en Mijn rechten zult bewaren en doen” (Ezechiël 36:25, 26 en 27).
En wat schreef de profeet Jeremia? „Dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis van Israël maken zal, spreekt de HEERE: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven” (Jeremia 31:33).
Word je door wedergeboorte een wettische Farizeeër? Als je een meisje met klitterig haar en een vale, gescheurde spijkerbroek onwennig, aarzelend de kerk ziet binnenstappen? Mogelijk zag zij nooit eerder een kerk van binnen. Als zij door het gangpad langs jouw plaats loopt, zie je honger en wanhoop in haar ogen. Weerspiegelt haar blik iets van de droefheid naar God? Dat weet niemand. Haar outfit valt uit de toon. Is wedergeboorte: afgaande op het uiterlijk van dat meisje een hekel aan haar hebben? Nee.
Wedergeboorte leert zonde haten, maar krijgt zondaren lief. Wedergeboorte leert een ander genade gunnen. Als je uit God geboren bent, krijg je trekken van Hem die dat nieuwe leven verwekte. God heeft een afkeer van de zonde (Job 34:10). Die weerzin tegen het kwaad deel je. Maar dat „Ik zal maken, dat gij in Mijn inzettingen zult wandelen” (Ezechiël 36:27) betekent ook dat je Gods liefde in het zenden van Zijn Zoon gaat proclameren (Johannes 3:16). „‘k Heb anderen al de rechten van Uw mond met lust verteld…”
Muziekfragmenten van cd Theun van Dijk