Bijbelrooster zondag 9 t/m zaterdag 15 oktober

>> 20-10-2011 | 14:26 | Puntuitredactie <<
 

Elke week besteedt Puntuit aandacht aan Bijbelstudie rond een bepaald onderwerp. Deze week is het thema ”matigheid”.

Zondag 9 oktober

2 Petrus 1:1-9

”Voegt bij uw geloof deugd, en bij de deugd kennis, en bij de kennis matigheid, en bij de matigheid lijdzaamheid, en bij de lijdzaamheid godzaligheid…”

Wat verstaat een doorsnee Nederlander onder matigheid? Dat vat je meestal op als: sober, niet overdreven. Het begrip matigheid bestond ook al tweeduizend jaar geleden. In die tijd schreven de evangelisten hun Evangeliën. De toenmalige, heidense, Griekse wereld beschouwde het woord matigheid vooral als zelfbeheersing. Wie matig leefde, bewees dat hij er in slaagde vrij zijn eigen leven te bepalen. Iemand anders kreeg geen kans zijn leven te overheersen. Dus matigheid was een goede eigenschap. Het was een verdienstelijke deugd.

Paulus zei dat de zaligmakende genade van God was verschenen aan alle mensen. Hij spoorde de leden van de gemeente waaraan hij schreef aan goddeloosheid en wereldse begeerlijkheden te verzaken (Titus 2:11). Dat wil zeggen: de apostel vroeg hen op te houden met allerlei zondige activiteiten. Wat moesten ze dan doen? ”Matig en rechtvaardig, en godzalig leven in deze tegenwoordige wereld.” Petrus schreef iets soortgelijks: Voegt bij uw geloof deugd, kennis, matigheid, lijdzaamheid en godzaligheid (2 Petrus 1:5,6).

Maar Petrus en Paulus noemden de woorden matig en godzalig in één adem. Die matigheid en godzaligheid zijn geen prestaties, verdienstelijke deugden, zoals bij heidense Grieken. Het woord matigheid valt inderdaad soms te vertalen door zelfbeheersing, iets in je eigen macht hebben. Iemand kan matig leven, dat is positief. Toch groeien de begrippen matigheid en godzaligheid waarover Petrus en Paulus spraken, niet op de wortel van menselijk presteren. Matigheid en godzaligheid zijn gaven van Gods genade (Galaten 5:22 en 2 Petrus 1:3).

”Voeg bij uw geloof matigheid” (2 Petrus 1:5,6). Je mag dat rustig ook zo lezen: Als je zegt een gelovige te zijn, maar je leven bestaat dag in dag uit in onmatig eten en drinken –dat leidt niet zelden tot dronkenschap– dan deugt je geloof niet. Als je zegt een christen te zijn, maar je leeft onmatig, als een beest –in seksueel opzicht bij voorbeeld– dan deugt je geloof al evenmin.

Matigheid of zelfbeheersing in het christelijk leven vormen geen verdienste. Als je de Heere vreest, probeer je jezelf in alles te beheersen. Je beschouwt Gods geboden als heilzame liefderegels. Zó willen ze jouw leven bepalen en leiden. Zó wil jij ze aanvaarden. En je wilt toch ook voorkomen dat anderen gelovigen, of ongelovigen zich zouden ergeren? Dat zou immers de voortgang van het Evangelie kunnen verhinderen (1 Korinthe 8:13).


Maandag 10 oktober

Eféze 5:1-11:

”De vrucht des Geestes is in alle goedigheid, en rechtvaardigheid, en waarheid”

Je hoort niet zelden spreken over ”de vruchten van de Heilige Geest”. Paulus sprak echter twee keer over ”de vrucht van de Heilige Geest”: enkelvoud. Dus het gaat om één vrucht. Toch schreef de apostel over liefde, blijdschap, lankmoedigheid, vrede, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid en matigheid (Galaten 5:22). En over goedigheid, en rechtvaardigheid, en waarheid (Eféze 5:9). Die kernwoorden staan voor negen onderscheiden kanten van het werk van de Heilige Geest die samen een eenheid vormen: de vrucht.

Jakobus gebruikt de uitdrukking ”vrucht van de Heilige Geest” niet. Toch vallen er passages te vinden in zijn brief, die aan dat begrip doen denken. Hij sprak over wijsheid die van boven is, zuiver, vreedzaam, bescheiden, gezeglijk, vol van barmhartigheid en goede vruchten, niet partijdig en ongeveinsd, dus oprecht (Jakobus 3:13-18). De wijsheid waarover Jakobus schreef doet denken aan de Heilige Geest als bron voor een echt christelijk leven.

Je vraagt je af: Waarom sprak Paulus slechts over één vrucht? De Heilige Geest raakt mensen aan, overweldigt hen, overtuigt ze van zonde, gerechtigheid en oordeel (Johannes 16:8). Dat is eigenlijk hetzelfde, als waar Jezus op doelde in zijn gesprek met Nicodemus: U moet opnieuw geboren worden. De Heilige Geest heeft daarin een actieve rol, zei de Zaligmaker tegen hem (Johannes 3:3-8). Als dat gebeurt in iemands leven, wil hij in handel en wandel gaan leven naar Gods wil. Dat is het gevolg, de éne vrucht van het werk van de Heilige Geest. En die vrucht heeft –in positieve zin– diverse ‘gezichten’.

Elke ware gelovige vertoont –bewust of onbewust– iets van die vrucht van de Heilige Geest. Jezus zei over valse profeten, die zich voordoen als schapen: ”Aan hun vruchten zult gij hen kennen” (Matthéüs 7:13-23).

Je kunt er geweldig mee lopen worstelen dat je die vrucht van de Heilige Geest niet ziet in je eigen leven. Dat je geen matigheid ziet en dat je juist het tegendeel ervaart van zelfbeheersing. Je voelt je zo onbekeerd en zo ongelovig. Je denkt: heb ik God wel echt lief? Een andere keer zing je tòch soms zachtjes in je eentje: ”Wien heb ik nevens U omhoog.” En een dag later ben je het weer kwijt. Wat moet je doen? Bidden om licht. Het licht van de Heilige Geest over de vrucht van de Heilige Geest.


Dinsdag 11 oktober 2011

Galaten 5:13-26:

”De vrucht des Geestes is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid.”

Paulus noemt in zijn brief aan de Galaten negen onderscheiden aspecten van de vrucht van de Heilige Geest: liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid en matigheid (Galaten 5:22). In meer of mindere mate valt iets van die vrucht op te merken bij àlle gelovigen die God echt leerden liefhebben en de zonde oprecht haten. Zulke mensen zijn immers ranken van ”de ware Wijnstok” (Johannes 15:1). De rank die door het geloof verenigd is met de Wijnstok draagt vrucht. Zij komt tot haar doel.

Er waren vanouds in de kerk ook bijzondere gaven van de Heilige Geest. Maar niet elke gelovige had alle gaven (Romeinen 12:6). De één ontving de gave der gezondmaking, de ander die van het spreken in onderscheiden talen (1Korinthe 12:9,10). Die bijzondere gaven mogen de vrucht van de Heilige Geest niet gaan overheersen, schreef Paulus (1 Korinthe 13:31). Want ik zou een heleboel lawaai kunnen maken, aldus de apostel, maar voor God nog niets zijn, als ik niet uit het geloof in hoop en liefde leefde (1 Korinthe 13: 1,2,13).

De theoloog John Owen schreef ooit dat de wonderbaarlijke gaven nodig waren om het pas gepreekte Evangelie ingang te laten vinden. Zij waren vooral van waarde in de eerste tijd van de kerk. Spreken in tongen had een functie zolang de kerk de canon, de lijst van bijbelboeken van het Nieuwe Testament, nog niet bezat. Het ging in de vroege kerk vaak gepaard met de gave van de profetie. Tongentaal werd uitgelegd in de vroege kerk, evenals profetie. En dat was slechts in de eerste twee eeuwen.

Zie jij iets van die vrucht van de Heilige Geest in je eigen leven? Liefde? Dat is geen liefde die uit je eigen hart opkomt. Het is de Heilige Geest die deze liefde ooit, heel onverklaarbaar, in het hart uitstort (Romeinen 5:5). Blijdschap? Dat is in de Bijbel nooit platvloerse lol. Het geeft de ervaring weer van de ware vrijheid in afhankelijkheid van de Heere. Vrede? Dat is niet simpel een situatie zonder ruzie. Vrede op aarde belooft goede verhoudingen, welzijn en geluk. Maar al die dingen vallen niet te ervaren buiten Christus om. Zie jij iets van die matigheid, van zelfbeheersing in je eigen leven? Om van harte het zondigen te laten en naar God te verlangen?


Woensdag 12 oktober

Romeinen 12:1-12:

”Want door de genade die mij gegeven is, zeg ik een iegelijk die onder u is, dat hij niet wijs zij boven hetgeen men behoort wijs te zijn, maar dat hij wijs zij tot matigheid…”

Paulus tekende in zijn brief aan de christelijke gemeente te Rome mensen als zondaren die God niet zoeken. Vernieling en ellendigheid is in hun wegen (Romeinen 3:14-16). Alleen door het geloof in de gekruiste Christus is er hoop voor zulke slechte mensen (Romeinen 5:6-9). Dat geloof brengt wel een totale levensverandering teweeg. Zij begeren niet meer de zonde te dienen (Romeinen 6:6). En de apostel spoort de leden van die gemeente aan: ”Wordt dezer wereld niet gelijkvormig…” (Romeinen 12:2).

Toen Paulus schreef: ”wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds” (Romeinen 12:2), bedoelde hij: wordt voortdurend veranderd, dat is een levenslang proces. Die verandering vormt een metamorfose, een gedaanteverwisseling. Markus gebruikte dat woord, toen hij schreef over de verheerlijking op de berg. Jezus veranderde van gedaante: Zijn kleren begonnen te blinken (Markus 9:2). In die ingrijpende verandering krijgt het beeld van God weer vorm in een mensenleven (2 Korinthe 3:18).

Denk niet klein over die verandering. Als een rups tot vlinder wordt, heet dat ook metamorfose. Het lichaam van de rups wordt –behalve een aantal klompjes cellen– helemaal afgebroken. Door die verandering, die vernieuwing uws gemoeds, beschouw je wat je vroeger als wijsheid zag als eigenwijsheid. Die moet verdwijnen. Een pijnlijk proces! Maar toch! Nadat Paulus over de noodzaak van die verandering sprak, schreef hij: Wees niet wijs ”boven hetgeen men behoort wijs te zijn”. Wees ”wijs tot matigheid” (Romeinen 12:3).

Het woord matigheid heeft in Romeinen 12:3 een iets andere betekenis dan zelfbeheersing. Het betekent: bezonnen, ingetogen. Dat ligt qua betekenis overigens vlak naast het begrip zelfbeheersing. Ben je tevreden met de kennis van die dingen die nodig zijn tot zaligheid? Of ben je bezig met ongoddelijk ijdel-roepen en de tegenstellingen die de wetenschap af en toe te voorschijn tovert? (1 Timothéüs 6:20).

Misschien hef je in wanhoop je handen omhoog. O God, wanneer zal ik toch ooit m’n eigenwijsheid eens kwijtraken? Heb ik God wel echt lief? Of bedrieg ik mijzelf? Onthoudt goed dat je die ”vernieuwing uws gemoeds” en die matigheid nooit in eigen kracht kunt bewerken of opbrengen. Het is toch de Heilige Geest die mensen aanraakt en overweldigt? (Johannes 16:8). Het is toch de Heilige Geest die opnieuw geboren doet worden? (Johannes 3:3-8). Zonder God en in eigen kracht red je het nooit! Wat dan? Bidden!


Donderdag 13 oktober

Handelingen 24:17-27:

”Als hij handelde van rechtvaardigheid, en matigheid, en van het toekomende oordeel, Felix, zeer bevreesd geworden zijnde, antwoordde: Voor ditmaal ga heen.”

Paulus reisde met de opbrengst van een collecte voor de Messiasbelijdende Joden naar Jeruzalem (Handelingen 21:30,33). De Joden die ongehoorzaam waren aan de oproep van de Heere Jezus om in Hem te geloven, vormden een bedreiging voor hem. Hij raakte gevangen. Omdat een samenzwering van Paulus’ vijanden werd ontdekt, brachten de Romeinen hem naar de stad Cesaréa. Daar probeerden hogepriester Ananias en wat andere Joden de Romeinse stadhouder Felix leugenachtig te paaien. Paulus mocht zich verdedigen.

De apostel vertelde de waarheid over de gebeurtenissen in Jeruzalem. Na een paar dagen verhoorde de stadhouder hem opnieuw. In bijzijn van zijn Joodse vrouw Drusilla. Paulus sprak besprak een aantal kernwoorden: rechtvaardigheid, matigheid en het komend oordeel (Handelingen 24:25). Rechtvaardigheid eist straf. En dat begrip matigheid riep bij Felix weerstand op. Moest hij zichzelf beheersen? Ingetogen leven? Het idee alleen al! Onmogelijk!

Het geweten van de stadhouder ging spreken. Felix was geen beste! Hij was een vrijgelaten slaaf die het door carrièredrang ver had geschopt, heerszuchtig, onrechtvaardig en wreed. Hij schuwde het niet politieke tegenstanders via een sluipmoord uit de weg te ruimen. Een historicus uit die tijd, Tacitus, schreef, dat stadhouder Felix zo verwaand was als een koning. Hij heeft drie vrouwen gehad. De knappe, maar zeer onkuise Drusilla liet haar eigen man, koning Azizus van Emesa, in de steek voor Felix.

Toen hoorde Felix over het oordeel dat volgt op zonde. Zijn geweten ging spreken. Je herkent dat mogelijk uit je eigen leven. Een innerlijk besef dat iets –een daad, een woord, een gedachte– voor God niet door de beugel kan. Dan kun je twee dingen doen. Of je luistert naar de stem van je geweten en je probeert anders te leven. Of je negeert dat innerlijk besef dat iets verkeerd, zondig is. Zo ging Felix te werk. Hij legde Paulus het zwijgen op. Van matigheid, van zelfbeheersing, van ingetogenheid wilde hij niet weten.

Misschien zeg je: Ik hoor die stem van mijn geweten steeds. Ik wil er naar luisteren. Ik zie dat mijn zondige woorden en daden God verdriet doen Maar het lukt niet om beter te leven! Vertel dat tegen de Heere. Hij kan je de vrucht van de Heilige Geest schenken. Dan geeft Hij ook matigheid. Zelfbeheersing. Ingetogenheid. Liefde om de zonde te laten. Vergeving om Jezus’ wil.


Vrijdag 14 oktober

Titus 1:1-11:

”Een opziener moet onberispelijk zijn… matig…”

Een opziener kon als wachter, beschermer, schutspatroon in de Griekse heidenwereld zelfs een afgod zijn. Maar ook gewoon iemand met een taak in het dagelijks leven. Toch was er in dat laatste geval dan sprake van een bijzondere opdracht. Van ’n overheidsambt bij voorbeeld. Zo’n ambtsdrager kon zich ontpoppen als een soort dictator. Christus Zelf functioneert echter als Opziener van de zielen in de gemeente echter als Herder (1 Petrus 2:25). Niet als tiran. Hij heeft het goede van Zijn onderdanen op het oog. Hij schakelt in de kerk onder-opzieners in.

In Handelingen 20:17 en 28 gebruikte Paulus twee woorden –opziener en ouderling– voor die onder-opzieners. Zoals Christus dienen ook deze ambtsdragers zich te gedragen. Zo iemand heet een regeerder (1 Korinthe 12:28). Maar hij heeft tevens als taak leden van een gemeente te vertroosten en te onderwijzen. Hij heet ook uitdeler van de verborgenheden Gods (1 Korinthe 4:1), gezant (2 Korinthe 5:20), opziener, huisbezorger van God (Titus 1:7). Daarbij dient hij zich matig te gedragen, voorzichtig. Hij dient zichzelf ingetogen te beheersen.

God vraagt de gemeente die hen koos zich aan hun leiding te onderwerpen. Als het goed is, zijn het ”mannen vol van de Heilige Geest”. Misschien protesteerde je wel eens tegen je ouders, of tegen je vriend of vriendin. ”Die mensen moeten niet zo zeuren over de leer.” Is dat waar? Luister eens naar de apostel: ”Beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn uitgegaan in de wereld” (1 Johannes 4:1). Timothéüs kreeg ook zo’n aansporing van Paulus: ”Heb acht op uzelf en op de leer...” (1 Timothéüs 4:16). En de apostel Paulus spreekt over het uitoefenen van strengheid, naar de macht die mij de Heere gegeven heeft (2 Korinthe 13:10). De eerste internationale synode –beschreven in Handelingen 15 – geeft een voorbeeld hoe geschillen op gezaghebbende wijze werden beslist, dwalingen verworpen enz..

Maar dat gezag en die onderdanigheid behoren gestalte te krijgen op de manier zoals Paulus daarover schreef aan de kerk te Eféze: ”elkaar onderdanig zijnde in de vreze Gods” (Eféze 5:21). Dat is een heilige kunst. Wie er iets van leerde wordt matig en voorzichtig. Waar ligt de grens van het gezag van zo’n ambtsdrager? Het ambtelijk gezag houdt op waar hij de grenzen van het Woord van God overschrijdt.


Zaterdag 15 oktober

1 Timothéüs 2:

”…dat de vrouwen, in een eerbaar gewaad, met schaamte en matigheid zichzelf versieren, niet in vlechtingen van het haar, of goud, of parels, of kostelijke kleding.”

”Ik mag niks!” Misschien voel je dat soms zo van binnen. Dan heb je bijna een beetje een hekel aan de kerk en aan de leefregels die vader en moeder je opleggen. Als je die leefregels voelt als opgelegd, als dwang –”ik moet me er nu nog aan houden, maar later doe ik het lekker anders…”– dan ervaar je ze als een knellend harnas. ”Bah!”

Timothéüs diende de christelijke gemeente in Eféze. Natuurlijk leefden in die grote stad ook vrouwen die al die wetjes maar niks vonden. Maar er waren er ongetwijfeld ook die het met Paulus eens waren. Kleed je netjes aan, schreef Paulus, eerbaar (1 Timothéüs 2:9). Dat wil zeggen: zedig, kuis, fatsoenlijk, bescheiden. Dus zorg dat mannen geen kans krijgen tot zondige, seksuele begeerten. En probeer niet jezelf te verfraaien met goud, of parels, of extra dure, modieuze, elegante kleding. Alsof God je niet mooi genoeg heeft geschapen. Versier je liever met matigheid: wees beheerst en ingetogen.

Die leefregels zijn niet van de laatste tijd. Al in de vroege kerk, in de eerste eeuwen, hielden christenen zich er aan. De apologeet Tertullianus (circa 160-220) keerde zich tegen het huwelijk van christelijke vrouwen met heidenen. Hij noemt zulke vrouwen ”slaven van de duivel”. Hij keerde zich ook tegen geboortebeperking, make-up, geverfd haar en veel juwelen.

Ieder mens staat telkens in het leven voor keuzes. Wees eerlijk: Soms leeft de gedachte van binnen: Hoe ver kan ik nog net gaan met dit of dat om niet op te vallen als zondaar. In plaats van dat je je –van binnenuit– zo ver mogelijk bij kwaad vandaan blijft. Psalm 119 vind je maar lang. ”Al dat gedoe over de wet en zo… Mij niet gezien.”

Totdat de Heilige Geest de liefde tot God in je hart uitstort. Liefde die niet uit je eigen hart opkomt, maar die je naar God doet verlangen. Zonder dat je gelijk zegt: ”Ha fijn, nu ben ik ook gelovig.” Nee, je zie vaak juist je gemis. De Heilige Geest heeft die liefde ooit, heel onverklaarbaar uitgestort in je hart (Romeinen 5:5). Wat ga je dan zingen? Juist, Psalm 119, over Gods geboden: ”Daar strekt zich al mijn lust en liefde heen.” Dan leer je luisteren naar Gods Woord. Dan stel je matigheid boven allerlei wereldse poespas.

 
reacties
1 reacties  1 van 1 

G. Roos
8 okt 2011 - 19:18
Quote
Waarom is de puntuitredactie vergeten deze week het thema bij de bijbelstudiestukjes te plaatsen? Het thema is "matigheid"

1 reacties  1 van 1 
reageer
Je reactie zal eerst door de redactie beoordeeld worden voor plaatsing.
Naam (verplicht)
email-adres (verplicht)
:D :lol: :-) ;-) 8) :-| :-* :oops: :sad: :cry: :o :-? :-x :eek: :zzz :P :roll: :sigh: € love nlflag
meer uit deze rubriek ...
Video

Kleinste man in rugzak de wereld over

>> 15-05-2012 | 11:37 | <<
 
De kleinste man ter wereld reist op de rug van zijn neef door Australie. In een rugzak verkent hij het land. Video ANP

Meer video's