Heeft de docent het altijd voor het zeggen? Zijn scholieren brutaler dan vroeger? Speciaal voor het RD discussieerde een havo-4-klas van het Driestar College in Gouda aan de hand van een aantal stellingen over het thema gezag.

Jongeren hebben op school een veel te grote mond.
Rutger Schimmel: „Dat is soms wel zo. Wij moeten alles nog leren, maar denken dat we veel weten. Als er bijvoorbeeld een aanslag is, hebben we gelijk onze mening klaar.”
Maurits Grünbauer: „De meesten hebben geen grote mond. Wij mogen zelf uitmaken waarover we willen praten.”
Floris Brouwer: „Leraren gaan soms zelf ook in de fout. Dan verzinnen ze een bijnaampje voor je. Zo noemde een leraar mij Boris Flower.”

Als een leraar straf geeft, heeft een leerling maar te gehoorzamen.
Cobie van Veen: „Als een straf niet terecht is, hoef je die niet te accepteren. Een leraar kan chagrijnig en zeurderig zijn. Dan kun je al straf krijgen als je op een blaadje zit te kalken.”
Christiaan Meijer: „Een van de leraren mocht je niet te lang aankijken. Dan werd je er al uitgestuurd. Leraren moeten ook begrip hebben voor leerlingen. Wij moeten soms tussen twee lesuren van het ene naar het andere gebouw. Dan kun je een paar minuten te laat komen. Dat moet een leraar accepteren.”
Arja Verweij: „Een leraar is ook maar een mens. Je moet kunnen overleggen over een straf.”

Jongeren moeten niet roddelen over leraren.
Christiaan Meijer: „Roddelen is slecht. Maar ik zeg niet dat ik het niet doe.”
Maurits Grünbauer: „Je mag toch best zeggen dat iemand streng is?”

Het is de schuld van de leraar zelf dat hij geen gezag heeft.
Jacco Leguijt: „Leraren die geen orde kunnen houden, worden vaak gepest. Zonder dat er reden toe is.”
Annelies Kerkhoven: „Leerlingen vertellen door dat een nieuwe leraar niet goed orde kan houden. Maar een leraar kan daar toch niks aan doen? Iedereen maakt toch fouten? Hij moet ook de kans krijgen om die te herstellen.”
Rudy Oussoren: „Sommige leraren die net op school beginnen, zijn erg zenuwachtig. Als je bij wijze van spreken met je vingers knipt, beginnen ze al te huilen. Die mensen dúrf je niet eens te pesten.”
Edith de Rooij: „Een leraar moet aan het begin duidelijke regels stellen. En niet later in het jaar er nog eens dertig regeltjes bijslepen. Als je niet voor leraar in het voortgezet onderwijs in de wieg bent gelegd, moet je het ook niet doen. Dan kun je beter aan kleuters gaan lesgeven.”

Leraren moeten rekening houden met het humeur van de leerlingen.
Edith de Rooij: „Natuurlijk niet. Wij accepteren niet van leraren dat ze chagrijnig zijn. Dan hoeven zij dat andersom ook niet.”
Christiaan Meijer: „We zijn toch een christelijke gemeenschap?”
Gert-Jan Stolk: „Een leraar kan niet met iedereen rekening gaan houden. Je zit met 28 leerlingen in een klas.”
Jacco Leguijt: „M’n zusje heeft meegemaakt dat de moeder van een medeleerling was overleden. Toen een docent die leerling wat vroeg, begon die jongen te huilen. Daar moet een leraar dus wel rekening mee houden.”
Christiaan Meijer: „Maar dat heeft niets met humeur te maken. Dan praat je over psychosomatische klachten.”