Woensdag: Abraham bouwt een altaar

Bijbeltekst

Statenvertaling

Genesis 12

7. Zo verscheen de HEERE aan Abram, en zeide: Aan uw zaad zal Ik dit land geven. Toen bouwde hij aldaar een altaar den HEERE, Die hem aldaar verschenen was. 8. En hij brak op van daar naar het gebergte, tegen het oosten van Beth-El, en hij sloeg zijn tent op, zijnde Beth-El tegen het westen, en Ai tegen het oosten; en hij bouwde aldaar den HEERE een altaar, en riep den naam des HEEREN aan. 9. Daarna vertrok Abram, gaande en trekkende naar het zuiden. 10. En er was honger in dat land; zo toog Abram af naar Egypte, om daar als een vreemdeling te verkeren, dewijl de honger zwaar was in dat land. 11. En het geschiedde, als hij naderde, om in Egypte te komen, dat hij zeide tot Sarai, zijn huisvrouw: Zie toch, ik weet, dat gij een vrouw zijt, schoon van aangezicht. 12. En het zal geschieden, als u de Egyptenaars zullen zien, zo zullen zij zeggen: Dat is zijn huisvrouw; en zij zullen mij doden, en u in het leven behouden. 13. Zeg toch: Gij zijt mijn zuster; opdat het mij wel ga om u, en mijn ziel om uwentwil leve. 14. En het geschiedde, als Abram in Egypte kwam, dat de Egyptenaars deze vrouw zagen, dat zij zeer schoon was. 15. Ook zagen haar de vorsten van Farao, en prezen haar bij Farao; en die vrouw werd weggenomen naar het huis van Farao. 16. En hij deed Abram goed, om harentwil; zodat hij had schapen, en runderen, en ezelen, en knechten, en maagden, en ezelinnen, en kemelen. 17. Maar de HEERE plaagde Farao met grote plagen, ook zijn huis, ter oorzake van Sarai, Abrams huisvrouw. 18. Toen riep Farao Abram, en zeide: Wat is dit, dat gij mij gedaan hebt? waarom hebt gij mij niet te kennen gegeven, dat zij uw huisvrouw is? 19. Waarom hebt gij gezegd: Zij is mijn zuster; zodat ik haar mij tot een vrouw zoude genomen hebben? en nu, zie, daar is uw huisvrouw; neem haar en ga henen! 20. En Farao gebood zijn mannen vanwege hem, en zij geleidden hem, en zijn huisvrouw, en alles wat hij had.

Uitleg

Abram is gegaan, op het woord van Gods belofte. Op enig moment komt hij bij de plaats Sichem en daar bouwt hij een altaar voor de HEERE. Dat moet voor de inwoners, de Kanaänieten, iets heel bijzonders zijn geweest. Ze hebben vast en zeker hun hoofd geschud. En waarom deden ze dat? Omdat men in die tijd dacht dat goden gebonden waren aan een bepaald grondgebied. Wie verhuisde, kon zijn god niet meenemen, je was dan onderworpen aan de goden van dat land. De enige manier om het anders te doen, was dat je aarde meenam uit het land om daarop een altaar te bouwen. Dat vroeg Naäman aan de profeet Elisa (2 Kon. 5:17).

Toch doet Abram het wel. Hij had geen aarde meegenomen en toch bouwt hij daar in Kanaän een altaar voor de HEERE! En hij roept daar de Naam van de HEERE aan. Hiermee belijdt Abram dat de HEERE niet gebonden is aan een klein stukje grond, maar Hij de Schepper en HEERE is van de hele aarde. Hier zien we iets oplichten van de belofte die de HEERE deed aan Abram: in uw zaad zullen alle geslachten van de aarde gezegend worden.

Zingen: Psalm 72:11

Overdenking: Waar wij ook zijn … de HEERE is overal. En Hij wil overal aanbeden zijn: Zijn Naam moet eeuwig eer ontvangen.

 

 

Terug naar Bijbel & leesplannen