Alleen op een eiland #1: Op pad met een wagen vol bagage

Puntuit   03 jul. 2019 | tekst en beeld Arien van Ginkel
2019-07-03-katWO16-PUsfeerbeeld04-2-FC (Alleen-lezen)
2019-07-03-katWO16-PUsfeerbeeld01-2-FC (Alleen-lezen)
2019-07-03-katWO16-PUhoofdplaat03-4-FC (Alleen-lezen)
2019-07-03-katWO16-PUsfeerbeeld02-2-FC (Alleen-lezen)
2019-07-03-katWO16-PUsfeerbeeld03-2-FC (Alleen-lezen)

Heb ik alles? Die angstige vraag spookte de laatste dagen door mijn brein. Kamperen is mij een nauwelijks bekend fenomeen. De komende dagen heb ik geen elektriciteit, geen gas en geen stromend water. Soms zelfs geen internet.

Lucifers, bedenk ik me. Lucifers. Die lichtbrengers waren bijna ontsnapt aan mijn inpaklijst. Zonder hen geen vuur. En dus rauwe aardappels. En geen gesmolten marsmallows.

Twee dagen eerder had ik de stoute schoenen aangetrokken en was ik een kampeerwinkel binnengestapt. Alsof ik dat vaker doe. „Ik heb een kookstelletje nodig”, vertelde ik de verkoopster alsof het om een alledaagse aanschaf ging. Ze kwam met allerlei varianten en ik koos, nadat ze een prachtige gasbrander had aangeraden, toch de goedkoopste Als het maar brandt, dacht ik. Nu had ik dus toch nog bijna met vuurstenen in de weer gemoeten.

Kampeerders: Ik snap ze niet. Waarom zou je alle comfort die eeuwen aan westerse beschaving hebben gebracht, opgeven? Waarom zou je je huis met geïsoleerde muren en centrale verwarming inruilen voor een klapperend tentzeil? In mijn geval heeft het maar een reden: mezelf bewijzen dat ik ook zonder kan.

Overleven

Een mens als ik heeft toch nog een indrukwekkende hoeveelheid spullen nodig om drie dagen in de natuur te overleven. Dat bedenk ik als de achteras van mijn wagentje bijna krakt terwijl ik mijn bagage inlaad. ’s Wagens achterwerk schuurt bijna over de grond, want ik neem het zekere voor het onzekere. Twaalf waterflesjes van een halve liter zou genoeg moeten zijn om drie dagen mijn dorst te kunnen lessen. Toch? Voor de zekerheid neem ik zes extra anderhalve literflessen mee. Vijftien liter water. Dat betekent vijftien kilo bagage.

Bang om dorst te lijden hoef ik niet meer te zijn. Er is nog een angst die ik wil overwinnen. Vrees voor kou. Het is juni, maar de weerprofeten voorspellen dat de temperatuur ’s nachts zo onder de tien graden knalt. Rond die temperaturen scoor je zo een loopneus. Of wintertenen.

Winterjas

Een dikke deken is dus onmisbaar. Die leg ik op het luchtbed, is het plan. Daarop de slaapzak. Daar kruip ik dan in nadat ik mezelf heb ingewikkeld in plates. En mocht dat niet voldoende zijn, dan trek ik mijn winterjas aan. Dat kan wel voor een keertje.
Verder gaat er een laptop voor het schrijven van verhalen mee, een enorme powerbank, negen aardappels, kookgerei, blikvoer, leesvoer en natuurlijk de tent. De hal puilt uit van de bagage, maar zonder al te veel te passen en te meten past het spul nu toch in mijn wagen. Ik heb alles. Dat kan niet anders.
Toch?

 

Zandplaat moeilijk te bereiken

Zo’n 65 vogelsoorten broeden op de Boschplaat. Het natuurreservaat op het oosterlijke deel van het Nederlandse Waddeneiland Terschelling is zo’n vijftig vierkante kilometer groot.
De Boschplaat is een uitgestrekte zandplaat die is begroeit met grassen en struiken. Bos komt er, in tegenstelling tot wat de naam doet vermoeden, niet voor. ‘Bos’ is een oude benaming voor ‘verhoging in het landschap’ of ‘duin’.
In het broedseizoen is het grootste deel van de zandplaat gesloten zodat ondermeer de zilvermeeuw en lepelaar er ongestoord kunnen broeden. Enkel het strand aan de noordkust en een zandpad aan de andere kant van het duin zijn toegankelijk voor niet-gemotoriseerd verkeer.

 


Dit bericht is onderdeel van het Thema Dossier "Alleen op een eiland"

Bekijk het dossier    
Terug naar nieuwsoverzicht binnenland