Fascinatie voor klederdracht

Puntuit   16 okt. 2019 | tekst en beeld Chris Klaasse
2019-10-16-katWO16-PUopeningProsman16-8-FC (Alleen-lezen)

Op haar kamer staat een ijzeren teil, gevuld met rokken, lappen, een muts en spelden. Hoewel Christine Prosman (18) niet uit Bunschoten-Spakenburg komt, bezit ze toch de complete klederdracht van het vissersdorp.

Het aantrekken van klederdracht is een tijdrovende klus. De wijde rok en het schort zijn eenvoudig aan te doen. Maar het bovenlijf is lastiger. Christines moeder helpt een handje.

De mouwen van de Spakenburgse dracht zijn losse elementen. Christine maakt ze met spelden vast aan haar ondershirt. Daarna is het tijd voor de kraplap. Moeder Prosman tilt het gevaarte op, zodat dochterlief haar hoofd door het gat kan steken. De kap lijkt op een schild dat de boven­armen en schouders beschermt.

Het derde en laatste onderdeel van het bovenstuk is het voorlijfje; een strook geruite stof die van de hals naar beneden loopt. Die moet met spelden aan de kraplap bevestigd worden. Vervolgens maakt Christines moeder het geheel met snoeren en haken vast aan de rok.

Levende historie

Het gezin Prosman woont in Rhenen. Vroeger ging Christine met haar ouders, broers en zussen jaarlijks naar de Spakenburgse Dagen. „Niet dat we er familie hebben wonen, hoor. Het was gewoon heel gezellig daar.”

De kleine Christine raakt gefascineerd door de klederdracht die de vissersvrouwen dragen. „Die wijde rokken, fleurige bovenstukken en keurige kapjes vond ik prachtig. Het is levende historie. Kleding uit de pruikentijd vind ik ook leuk. Daar doet klederdracht me aan denken.”

Als Christine negen jaar is, koopt haar moeder een lap klederdrachtstof en maakt er een jurk van. „Die droeg ik heel veel. Ik heb ’m nog steeds, al pas ik hem niet meer.”

Afgelopen zomer ging de pabostudente, die ook twee dagen voor de klas staat, voor het eerst in jaren weer naar de Spakenburgse Dagen. „Een van de kraampjes lag vol met traditionele mutsjes en sjaaltjes. Ik raakte aan de praat met de verkoopster. Zij vroeg me mee te komen naar haar schuur. Daar hingen een paar volledige sets klederdracht. Die had ze van haar moeder geërfd.” Christine koopt de oude kledij, die ze in een wastobbe op haar kamer bewaart.

Dat Christine van traditionele kleding houdt, blijkt ook uit de jas die aan de kapstok in huize Prosman hangt. Een donkerblauwe, met rode armstukken en epauletten –schouderbandjes–, en goudkleurige knopen. „Hij lijkt een beetje op een muziekkorpsjas”, lacht Christine. „Klasgenoten noemen mijn kledingstijl Brits. Ik houd van klassieke invloeden. Dus in de zomer draag ik graag iets met kant en lichte kleuren, ’s winters heb ik vaak iets uniformachtigs aan.”

Moderne, strakke kleding is niets voor Christine. „Sowieso draag ik meestal niet wat in de mode is. Niet om op te vallen, maar ik houd niet van standaarddingen.” Toch vindt ze de huidige modetrends positief. „Leuk dat halflange rokken en klokmouwen in zijn. Maar witte gympen zou ik nooit aandoen. Die staan mij niet en ze zijn binnen twee weken zwart.”

Een kledingstuk moet liefde op het eerste gezicht zijn, anders koopt Christine het niet. Iets bestellen op internet doet ze daarom nauwelijks. „Ik wil een blouse of rok zien en voelen. Alleen dan kan ik bepalen of het iets voor me is. Als je een trui via een webwinkel aanschaft, is de kans veel groter dat hij teleurstelt. En dan moet je het terugsturen. Te veel gedoe.”

Er hangen „misschien wel honderd” kledingstukken in Christines kast. „Best veel, maar ik geef er geen grote bedragen aan uit. Gemiddeld 30 euro per maand. Ik probeer kleren altijd in de opruiming te kopen. Dat vergt het nodige speurwerk, want ik ben kritisch. Maar als ik dan iets moois voor weinig geld vind, ben ik er ook extra blij mee.”

Circustent

Geregeld krijgt Christine kledingstukken van een van haar vier zussen. „En ik heb ook een schoonzus die ongeveer mijn maat heeft. Zij is goed in het vinden van tweedehands kleding. Af en toe geeft ze iets aan mij.”

Ooit probeerde de Rhenense een rok te naaien. „Mijn moeder maakt veel zelf. Er hangen vijf jurken van haar hand in mijn kast. En ze heeft zelfs een winterjas voor mij in elkaar gezet, een uiterst ingewikkeld klusje. Als 12-jarige wilde ik dat ook weleens proberen. Maar het werd een soort circustent. Niet heel succesvol.”

Na zo’n twintig minuten is Christine bijna in de Bunschoten-Spakenburgse outfit gehesen. „Dit trek ik waarschijnlijk alleen aan als ik naar de Spakenburgse Dagen ga, hoor”, lacht ze als het kleine mutsje vastzit. „Het zit echt niet lekker, maar het ziet er geweldig uit, toch? Het is in ieder geval niet standaard.”

 

 


Dit bericht is onderdeel van het Thema Dossier "Mijn kledingkast"

Bekijk het dossier    
Terug naar nieuwsoverzicht binnenland