Van der Staaij: Van studentenvereniging heb je levenslang profijt

Puntuit   21 aug. 2019 | tekst Anne Vader, beeld Martin Droog, via Kees van der Staaij
2019-08-20-katDI1-staaijdebaat-7-FC-V_web
IMG_5170__2__web
2019-08-20-katDI1-staaij_dc-2-FC_web

In lastige tijden in de politiek grijpt Kees van der Staaij (50) naar een boek waarover hij zich als student boog op Depositum Custodi. Nog altijd zoeken DC’ers naar antwoorden op de vraag hoe ze christen kunnen zijn in een seculiere wereld, zegt Arco de Baat (21), sinds kort voorzitter van de studentenvereniging. Hij gaat in gesprek met de man die 30 jaar geleden preses was en tegenwoordig Kamerlid voor de SGP.

Als eerstejaarsstudent was hij met de trein op weg naar zijn ouderlijk huis in Rhenen. Daar aangekomen ontmoette de jonge Van der Staaij mensen die naar een studentenvereniging in Utrecht gingen. „Vind je het leuk om mee te gaan?” vroegen ze. Waarop hij dezelfde trein terug nam, richting Utrecht. Die eerste kennismaking met het net opgerichte Depositum Custodi beviel hem wel. Een jaar later zat hij aan de bestuurstafel. In 1987-1988 als abactis (secretaris), het jaar erop als preses (voorzitter).

De huidige SGP-leider zette destijds een kring op waar studenten zich verdiepten in het Réveil. Een feitje dat veel DC’ers weten, volgens Arco de Baat, die sinds kort de voorzittershamer zwaait.

Van der Staaij: „Met tien mensen op een kamer verdiepten we ons in Bilderdijk, Van Prinsterer, Da Costa. Voor mij vormde dat het hart van de vereniging. Als rechtenstudent zocht ik naar een Bijbelse doordenking van mijn vakgebied. Het Réveil was een beweging van hoogopgeleide mensen die gingen nadenken over hun positie in de maatschappij. Van hun pennenvruchten kunnen we leren. Later heb ik mijn afstudeerscriptie geschreven over de staatkundige denkbeelden van Willem Bilderdijk, de vader van het Nederlandse Réveil.”

De Baat: „Thematische kringen draaien nog steeds vaak om mensen uit het verleden die ook iets te zeggen hebben over het heden. Zelf heb ik een kring gevolgd over C. S. Lewis, die ook als hoogopgeleide christen in een seculiere samenleving stond. Voor veel DC’ers is de studentenvereniging als een warm bad in de seculiere wereld.”

Van der Staaij: „Opvallend veel boeken die mij gevormd hebben, heb ik gelezen in mijn studententijd. Neem de ethische werken van prof. Velema en prof. Douma. Ik merk nog steeds dat ik ben gestempeld door hun gedachtegoed. Die vorming geeft ook verbinding met een breder deel van de kerk. Politici van het GPV die ik later ontmoette, hadden dezelfde boeken van Douma in de kast staan. Zonder zo’n gemeenschappelijke ethische basis begrijp je elkaar lastiger. Ik heb het idee dat dat tegenwoordig meer gefragmenteerd is.”

De Baat: „Bonhoeffer, Kierkegaard en Lewis worden op meer studentenverengingen gelezen dan alleen bij DC. Maar je ziet wel meer polarisering in bijvoorbeeld de discussie over de zesdaagse schepping. DC en CSFR kunnen dan niet zeggen: Onze gedeelde basis is het boek van Paul of dat van Van den Brink.”

Van der Staaij: „Het zou toch mooi zijn als we elkaar breder in christelijk Nederland kunnen vasthouden in antwoorden op vragen van het postmodernisme. Een gevaar kan trouwens ook zijn dat je je als student veel bezighoudt met de vraag hoe het precies zal gaan met de gereformeerde gezindte. Belangrijker dan allerlei toekomstscenario’s is de vraag: hoe sta je persoonlijk tegenover God? Wat dat betreft kun je veel leren van Daniëls positie. Hij bleef trouw, of hij in de leeuwenkuil terechtkwam of onderkoning werd.”


Welke vragen leven er vandaag de dag onder studenten?

De Baat: „Hoe zij als christenstudent in deze wereld kunnen functioneren. En hoe het bestaat dat iedereen het dikke prima vindt dat jij christen bent, zonder daar zelf een boodschap aan te hebben. Ik merk dat ook: ik kan honderduit vertellen over het geloof. De reactie is dan: dat ben jij; dit is mijn leven – even goede vrienden. Het is heel lastig om op een geloofwaardige manier duidelijk te maken dat onze boodschap relevant is voor iedereen.”

Van der Staaij: „In mijn tijd hielden we ons ook veel bezig met de vraag hoe je je verhoudt tot een samenleving die afrekent met het christelijk geloof.”

De Baat: „Het verschil met de jaren tachtig is, denk ik, dat mensen nu zo laconiek tegenover het christendom staan. Ik kom zelden atheïsten tegen. Eerder mensen die niet precies weten wat waar is en dat ook niet erg vinden. Die het überhaupt niet relevant vinden of er iets is na dit leven. Het is voor christenstudenten vandaag de dag lastig om zich tot die opvattingen te verhouden.”

Van der Staaij: „Wij waren inderdaad nogal beducht voor types als Maarten ’t Hart, die zich afzetten tegen het christelijk geloof. Nu heb ik dat niet meer zo sterk. Het lijkt wel alsof de rollen zijn omgedraaid. In een interview zei ’t Hart onlangs nog dat hij zich zorgen maakte om Gert-Jan Segers en mij. Het christelijk geloof was zo verdraaid vitaal dat het zelfs tot in de regering kwam. Terwijl hij had gedacht dat het verdwenen zou zijn.”

De Baat: „Je krijgt inderdaad reacties als: „Huh?! Bestaat dit nog?!” Het is dan aan ons om duidelijk te maken dat wij niet een schattig sociologisch overblijfsel uit het verleden zijn. We hebben daadwerkelijk iets te bieden. De vraag is hoe een christelijke student kan laten zien dat je relevant bent voor iedereen.”

 

Hebben jullie daar als vereniging een antwoord op?

De Baat: „Ik zou daar niet het laatste woord over willen zeggen. Je kunt wel laten zien hoe leeg het postmodernisme is. Dat belooft iedereen vrijheid, maar geeft geen enkele richtlijn over de invulling daarvan. Als christen heb je daar wel een idee over. Vrijheid is geen doel op zich, maar moet altijd een hoger doel dienen.”

Van der Staaij: „Het was in mijn tijd wel een verleiding om als studentenvereniging veel vanuit persoonlijke geloofsvragen met theologische thema’s als wedergeboorte en bekering bezig te zijn. Dat is goed en waardevol, maar besef ook dat je in een kerkelijke gemeente staat, waar die vragen niet alleen leven onder academisch gevormde mensen. Je kunt ook veel leren van Jan de timmerman. Als student kijk je er soms te beschouwend en analytisch naar.”

De Baat: „We zoeken daarin naar een goede balans. Mensen zitten wel met die vragen. Een studentenvereniging is daarvoor niet de eerste aangewezen plek, maar we bieden er wel ruimte voor. Ook omdat het in de gereformeerde gezindte vaak lastig is om over het geloof te praten. Als bestuur hebben we besloten met gebedspunten te gaan werken. Maar we proberen ook te letten op de maatschappelijke relevantie. Bij het jaarthema gebed kiezen we bijvoorbeeld voor een lezing over gebed in kunst en literatuur.”

 

Wat hebt u als politicus aan uw tijd op DC?

Van der Staaij: „Op de ethiekkring dachten we na over compromissen sluiten. Wanneer kan dat wel en wanneer niet? En op de Réveilkring behandelden we het boek ”Ongeloof en revolutie” van Groen van Prinsterer. Dat is voor mij nog steeds een persoonlijke aanmoediging. Groen zegt: Als jij in de politiek wilt opkomen voor het Woord van God, besef dan dat je altijd tegenstand zult krijgen. Als je op applaus van je tijdgenoten rekent, begin er dan niet aan. Maar als je gelooft in de waarheid, de vreugde en vrede van het christelijk geloof, ga er dan vooral mee door. In lastige perioden in de politiek grijp ik daarop terug. Dan lees ik weer zo’n stukje van Groen.”

 

Prestatiedruk is tegenwoordig een hot item onder studenten. Wat merkt DC daarvan?

De Baat: „Het is lastig om daar een weg in te vinden. Je wilt niet te vrijblijvend zijn. Tegelijk vraagt de samenleving veel van studenten, of ze hebben het idee dat dat gebeurt. Ook de basisbeurs bestaat niet meer. Sommige leden vinden dat wij onvoldoende tegenwicht bieden aan de prestatiedruk. Ze hechten aan het vrijblijvende karakter, anderen vinden verplichtingen belangrijk.”

Van der Staaij: „Het leenstelsel legt druk op om veel te werken, zodat een studie bekostigd kan worden. Ik ben bang dat dit ten koste kan gaan van de vorming in de studententijd. In mijn tijd was een studentenvereniging al snel in beeld als je ging studeren. Mijn indruk is dat jongeren nu liever eerst kijken hoe het eerste jaar gaat en of ze voldoende studiepunten halen.”

De Baat: „Klopt. Wij zien vaker dat mensen die voor het eerst op DC komen geen eerstejaarsstudenten meer zijn. Die moeten hun prioriteit leggen bij het halen van het bindend studieadvies (bsa). Anders moeten ze stoppen met hun studie.”

Van der Staaij: „Als je weet dat dit een belangrijke drempel is, zou je als vereniging de eisen voor deelname aan activiteiten in het eerste jaar wat lager kunnen leggen. Ik kan me voorstellen dat je meer verplichtingen oplegt als die bsa in het tweede jaar al binnen is.”

De Baat: „Goed advies!”

 

Arco staat aan het begin van een bestuursjaar. Hebt u nog meer tips?

Van der Staaij: „Dat zou ik bijna te pretentieus vinden na dertig jaar. Wij hebben nog wel heel lang een leeskring gehad met jaargenoten. Zulke contacten zou je kunnen stimuleren.”

Hij pakt er een oude foto bij van het bestuur uit de jaren tachtig: drie studenten met een dikke sigaar tussen de vingers. „Gelukkig is de tijd voorbij dat roken normaal werd gevonden. Soms hoor ik dat er tegenwoordig behoorlijk wat gedronken wordt onder studenten. Alcohol was in onze tijd iets wat echt aan je voorbij ging. Misschien is dat nu een aandachtspunt?”

De Baat: „Studiegenoten vinden veel drinken inderdaad normaal. Bij DC wordt over het algemeen weinig gedronken. Meestal één drankje per avond.”

Van der Staaij: „Laat het vooral een beetje bijzonder blijven. Ik zou tegen iedereen willen zeggen: Besef dat je studententijd een gouden periode is om verdieping en verbreding aan te brengen in de manier waarop je in de wereld staat en over dingen nadenkt. Van de bagage die je meekrijgt in je studietijd, pluk je levenslang de vruchten.”

Terug naar nieuwsoverzicht geloof