Hoofdpersoon Refael Maier, inspecteur van een waterbedrijf in de Negev-woe stijn, is 52 jaar als hij de herinneringen aan zijn jeugd opschrijft. Hij is niet gelukkig en weet niet goed wat hij met het leven aan moet: "Wat heb je er nu eenmaal aan, zeg nu zelf." Daarbij komt dat hij in een voortdurend latent aanwezige doodsangst verkeert. Dat hij "ouder is dan alle mannen in zijn familie geworden zijn", lijkt geen goed teken voor zijn verdere levensduur. 

Zijn vader was slapend overreden door een tank, zijn opa had zich verhangen, zijn Engelse oom Edward begreep de Hebreeuwse waarschuwingskreten niet en kreeg de brokstukken van een ontploft huis op zijn hoofd. Zijn oom Eliëzer werd op de horens van een stier genomen. En zo waren er nog vele macabere verhalen over neven en oudooms die een vroege dood waren gestorven. Niet voor niets is Refaels zus "vrijgezel op humanitaire gronden." Verscheidene malen blies ze op het laatste moment een voorgenomen huwelijk af, omdat ze niet wilde dat haar man, zoals alle mannen in de familie, een vroegtijdige dood zou sterven. 

Verwend en beschermd
Refael is, door de vroege dood van zijn vader, als enige jongen opgevoed onder de hoede van de "grote vrouw", zoals hij zijn oma, zijn "rooie en zwarte" tante, zijn moeder en zijn zusje noemt. Groot in de zin van: veel personen omvattend, maar ook sterk bepalend, overheersend en verstikkend. Alle niet te uiten liefde ten opzichte van hun overleden echtgenoten ballen de vrouwen samen in de zorg voor die enig overgebleven mannelijke spruit van de familie. Hij wordt door vijf vrouwen in bad gedaan, verwend, beschermd en gekoesterd. Terwijl hem, als hij wel eens kritisch is, wordt gevraagd: "Weet jij een betere manier voor een man om op te groeien?" 

Om enigszins aan de overdreven zorg over zijn jonge leven te ontkomen, zoekt hij het gezelschap van een oude steenhouwer, Avraham. Avraham, wiens enige gezelschap hij is, bespreekt met hem alles wat hij bespreken wil. Behalve zijn relatie met de rooie tante, die moet Refael zelf ontdekken. 

Onvermogen tot contact
Avraham was al heel lang geleden verliefd geworden op Refaels rooie tante. Die moest echter niets van hem hebben en trouwde met een Engelse officier. Na zijn dood kreeg ze toestemming bij de andere vrouwen in te trekken. Ze was dan wel geen 'eigen bloed', maar wel een zus van oom Eliëzer, met wie de zwarte tante gehuwd was geweest. Toch hoorde ze er nooit echt bij. Ze besefte dat ook goed en maakte daardoor elke nacht "een voetreis naar Boulimia", zoals Refaels zus haar ziekte spottend karakteriseerde. 

Pas als Refael bij toeval getuige is van een intiem samenzijn van Avraham en de rooie tante, vallen veel dingen voor hem op zijn plaats. De envelop (met geld) die Refael elke maand aan zijn oma moest geven, het pannetje soep dat speciaal de rooie tante op vrijdag kookte voor Avraham en het intieme samenzijn van deze twee: het is een duivels uitgedacht plan dat als voorwaarde diende om de rooie tante in huis op te nemen. "Jullie hebben een hoer van haar gemaakt!", zegt Refael en niet lang daarna verlaat hij het huis. 

Rona -"mijn gewezen vrouw, huidige geliefde en toekomstige ongeluk"- heeft ondanks haar tweede huwelijk nog steeds geregeld contact met hem. Of het de angst was dat hij door zijn huwelijk -net als alle mannen in zijn familie- een vroege dood zou sterven, of het onvermogen tot echt sociaal contact dat hem tot scheiden bracht, wordt niet duidelijk. In ieder geval is hij hopeloos alleen. Alleen dwaalt hij door de woestijn: "Weten jullie een betere manier voor een man om in orde te zijn?" Bang voor de dood, achtervolgd door zijn herinneringen die hem belemmeren een werkelijk menselijk leven te leiden. 

De stijl van het boek is prachtig! Daarvoor moet zeker ook hulde gebracht worden aan vertaler Ruben Verhasselt. Het boek is sterk associatief. Maar als je als lezer net gaat denken: nu is hij door alle zijsporen de lijn kwijt, keert Shalev toch weer terug naar de hoofdlijn. 

Herinneringen
Vreemd is overigens wel dat Refael steeds zegt dat hij niets kan onthouden en dat zijn zus dat voor hem doet, terwijl hij ondertussen wel dit hele boek met jeugdherinneringen opschrijft.
Inhoudelijk heb ik meer moeite met het boek. Hoewel intieme contacten zelden uitgebreid beschreven worden, hangt er toch een voortdurende erotische spanning in "De grote vrouw": de rooie tante en haar relatie met Avraham, de zwarte tante die het bed met willekeurig welke man deelt, en zelfs Refaels moeder die op het laatst een lesbische relatie met haar blinde jeugdvriendin blijkt te hebben. Dat alles maakt het niet verwonderlijk dat Refaels contact met zijn ex-echtgenote vooral seksueel van aard is. Tegelijk maakt dat het boek, ondanks de mooie schrijfstijl, moreel onacceptabel. Het maakt tevens duidelijk dat de Israëlische literatuur de grotendeels seculiere Israëlische maatschappij weerspiegelt. 

N.a.v. "De grote vrouw", door Meir Shalev; uitg. Vassalluci, Amsterdam, 1998; ISBN 90 5000 060 6; 420 blz.