Pas vele jaren later, nadat zijn kleinkinderen gemengd gehuwd waren, begon ik te begrijpen wat oom Moisje die sjabbes in New Haven had proberen te zeggen: dat wit wit is en zwart zwart en dat, als je de wezenlijke verschillen negeert, als je alles maar zonder onderscheid door elkaar gooit, zowel het witte als het zwart te gronde richt." 

Bovenstaand verhaalfragment uit "Chanoeka in New Haven" mag illustratief genoemd worden voor de bij uitgeverij Amphora Books opnieuw gepubliceerde verhalenbundel "Een Chassidisch Poerim" van de Joodse auteur Lilian Hester. Haar verhalen vormen een impressionistische verbeelding van het orthodoxe-Joodse leven in Amerika en Israël. Het leven van alledag en het leven van hoogtijdagen. 

Haar verhalen worden bevolkt door echte mensen: ze lijden onder het spanningsveld dat het leven in de orthodox-Joodse cultuur met zich meebrengt, lijken daardoor nogal eens een dubbelleven te leiden, maar worden soms ook gedreven door fanatisme. Opvallend herkenbaar voor orthodo xe christenen. 

Lilian Hester is overigens op zich al een paradoxaal verschijnsel. Ze is afkomstig uit een chassidisch immigrantenmilieu. In haar kringen is het niet gebruikelijk dat een vrouw de schrijverij ambieert, hoewel er wel steeds meer orthodoxe schrijfsters op het toneel verschijnen. Ook is de orthodoxe wereld steeds vaker het decor in de Israëlische literatuur. 

Hester groeide op in New York in de jaren dertig, volgde onderwijs aan orthodoxe meisjesscholen, trouwde jong en kreeg tien kinderen. In de jaren zestig emigreerde ze naar Israël. Ze woont nu in Bnei B'rak en combineert hier haar taak als orthodoxe vrouw en moeder met haar literaire creativiteit, ondanks alle aanmerkingen die ze te verduren krijgt. 

De schrijfster heeft haar milieu nooit verlaten, maar is toch in staat enige objectiviteit te betrachten. Een aardige illustratie uit het verhaal "Jom Kippoer in Williamsburg". "En op Jom Kippoer, als de kleine vrouwensjoel opgepropt vol zat en iedereen naar lucht hapte in het benauwde vertrek, vond mevrouw Stern het heel normaal om het raam met een klap dicht te slaan. Zij zat in de tocht! En ze konden haar smeken wat ze wilden om ergens anders te gaan zitten waar ze geen last van de tocht had, het hielp niets. Zij had tenslotte altijd daar gezeten, voor dat raam. Zolang ze al in Williamsburg woonde, al vanaf de tijd dat haar man de gemeente had gesticht. Waarom zou zij daar niet mogen zitten? Zij kwam altijd trouw naar sjoel, en niet maar een of twee keer in het jaar, zoals sommige anderen!" Hester schroomt niet de kleinmenselijkheid in haar eigen kring aan de kaak te stellen. 

Anders zijn doet soms pijn. Mooi is de beschrijving hiervan in het verhaal "Haarknippen". "Meier zat heel stil. Pa keek omlaag en zag hoe de tranen in zijn peies (haarlokken) druppelden. Zo erg was het dus. Ineens voelde hij het verlangen, zijn armen om die schoudertjes te slaan die hij zo onderworpen gebogen voor zich zag. Heel even maar te ontspannen en die tranen weg te kussen en het kind te smeken hem te begrijpen. Hem te smeken geen hekel aan hem te hebben omdat hij ervoor zorgde dat hij anders was, in de gaten liep en het mikpunt werd van de wreedheid van schoolkinderen. Hoe verlangde hij ernaar, uit te leggen dat dit anderszijn, beschimpt en bespot en nagewezen worden, nu juist de prijs was die je moest betalen om jood te blijven." 

"Een Chassidisch Poerim", door Lilian Hester; uitg. Amphora Books, Amsterdam, 2000; ISBN 90 6446 0175; 128 blz.