Hemelvaartsdag, weet Chaim Be'er, is een christelijke feestdag. Probeert aarzelend: "Is het niet vijftig dagen na Pasen?" Zelf Jood en orthodox, leest hij het Nieuwe Testament omdat hij dat een culturele must vindt. "Ik ben er best trots op dat Jezus in mijn land is geboren en daar op een ongelooflijke manier omging met rabbi's, Romeinen en gewone mensen."

Zijn medeburgers huldigen zijn standpunten bepaald niet. "Dat leidt er bij hen onvermijdelijk toe dat ze veel dingen niet kunnen duiden. Als je zegt: Eer de haan zal gekraaid hebben, zul je mij tot drie keer toe hebben verloochend, weten ze niet wat je bedoelt. We bevinden ons bij wijze van spreken in de nadagen van het Romeinse Rijk. We worden ondergeschikt gemaakt aan de States, waar vandaan de uniforme en oppervlakkige cultuur van Coca-Cola, soaps en geld komt overwaaien." 

Jaren vijftig
Op een rustige, regenachtige namiddag vertelt een in vrijetijdskleding gestoken Chaim Be'er in een Amsterdams hotel over zijn literaire ambities, de cultuur en traditie waarin hij staat en zijn visie op de Israëlische maatschappij. Zijn vader komt uit Oost-Europa, zijn moeders familie woont sinds 1812 in Jeruzalem. Behalve schrijver, is Chaim Be'er redacteur-uitgever en ook nog gids in Jeruzalem - dat naar zijn overtuiging een gedeelde stad mag blijven, maar daarover straks meer. 

Hij biedt min of meer zijn excuses aan voor het feit dat hij in het buitenland nauwelijks bekendheid geniet. Zijn boeken verschenen alleen in Israël, waar ze overigens in grote oplages uitkomen en populair zijn. Over de grens heeft hij geen naam opgebouwd, zoals onder anderen David Grossman en Amos Oz. Nu komt daar door uitgeverij Vassallucci verandering in. Voor het eerst zijn twee boeken van Chaim Be'er (1945) vertaald in het Nederlands. Ze dragen de titels: "Een venster op de hemel" (1978) en "Een deur aan de straat" (1998). De eerste is een roman over idealen, de tweede een over verbintenissen. 

Veren
"Een venster op de hemel" speelt zich af in het Jeruzalem van de jaren vijftig, een boek waarbij wordt afgetast waar de grenzen liggen tussen werkelijkheid en fictie. Met heimwee in zijn stem vertelt Be'er over de sfeer van de hoop, de vreugde en de verwachting die toen heerste. "Het was een ongelooflijk boeiende mix van Joden, christenen en moslims. Die mengeling en die interactie tussen mensen bestaat niet meer." 

In het Hebreeuws heet deze roman "Notsot" (veren). "Ik schrijf het vanuit de positie van buitenstaander, van iemand die luistert. Veren geven je het gevoel te vliegen, een gevoel van ergens je tussenin bevinden. Een van mijn eerste herinneringen is het verhaal van een oom over een pogrom ergens in de Oekraïne. Wanneer Joden werden aangevallen door niet-Joden, zag je overal veren rondfladderen. Een pogrom in Oost-Europa geeft je het gevoel van veren in de lucht, brandende veren." 

Zijn tweede boek, dat twintig jaar later dan het eerste verscheen, heet "Chavaliem" en gaat over verbintenissen. De auteur diept de Hebreeuwse pocketuitgave uit zijn tas en laat de omslag zien. Drie pinda's waarvan twee naast elkaar en een iets verderaf gelegen. "Hier zie je mijn grootmoeders relatieschema, hoe de familie is gebouwd. Dit is een man en een vrouw en dat is een kind. Het kan ook anders: de vrouw en het kind tegenover de man en vader. Je kunt er van alles van maken. Het is net als kamermuziek. Je weet nooit of de cello met de viool tegen de piano speelt of de piano met de cello tegen de viool. Het zijn altijd verschillende coalities die ik probeer te beschrijven." 

Chaim Be'er bouwde deze roman op als een drieluik. Het eerste deel gaat over Chaims grootmoeder, het tweede over zijn ouders en het derde over Chaim als auteur. Hij deed er vierenhalve maand over en lacht: "Mogelijk schrijf ik over twintig jaar het slot van mijn twee romans." 

Orthodox
Chaim Be'er beschouwt zichzelf als orthodox. Dat houdt praktisch in dat hij op sabbat de pen laat liggen. Wel luistert hij naar de muziek op de radio, iets wat andere (ultra)orthodoxe Joden niet zullen doen omdat ze die dag geen elektriciteit gebruiken. "Mijn orthodoxie is gematigd en van een heel andere orde", vindt hij zelf. 

"Het is in deze tijd moeilijk je uit te geven voor orthodox, omdat het woord zo'n geladenheid heeft gekregen. Ik voel mij orthodox omdat ik een zeer diepe relatie onderhoud met Joodse cultuur, traditie en erfgoed. Ik bestudeer elke dag de talmoed. Ik besteed veel tijd aan het vergelijken van nieuwe Hebreeuwse literatuur met het Joodse erfgoed: Bijbel, talmoed, rabbijnse geschriften. Ik probeer een relatie te leggen, de connectie te smeden tussen oud en nieuw. 

Als je nu orthodox bent in Israël, ben je niet geïnteresseerd in het moderne leven, in de Hebreeuwse literatuur. Je bent een beetje als Khomeini in Iran. Als je modern bent, haat je het verleden soms. Het is kennelijk het een of het ander. Maar bovenal heb je een referentiekader nodig. Dat heb je nodig in de National Gallery in Londen, in het Rijksmuseum in Amsterdam, dat heb je nodig in mijn land: culturele referentie heb je altijd nodig. 

Ik vocht ervoor om het Nieuwe Testament te lezen en te bestuderen. In mijn land is men daar beducht voor. Ik ben van mening dat het christendom deel is van de westerse beschaving. Dus mag je daarvan kennisnemen. Je kunt de muziek van een mis of koraalgezang pas begrijpen als je die in een context kunt plaatsen." 

Identiteit
Het diepste probleem waarvoor Israël zich geplaatst ziet, is de identiteit. "Waar bestaat die identiteit uit? Wat is de betekenis van een Joodse burger in de moderne wereld? Het valt me op dat veel jongeren zo antidemocratisch zijn. Ze haten de ander die niet hetzelfde is als hij of zij. We hebben op dat front een flinke strijd te leveren. Het is het gevecht voor identiteit, voor democratie, voor het juiste evenwicht. Toen ik drie jaar was werd de Israëlische staat geboren. Iedereen was overtuigd dat een moderne Joodse samenleving haalbaar was. Maar elke keer stierf dat idee een beetje af." 

De Zesdaagse Oorlog van 1967 beschouwt hij als een breekpunt van de Israëlische psyche. "Het kwam als een kanker in een gezond stuk vlees. Het was er opeens. De droom, de bijbelse droom vervloog. In 1967 geloofde ik ook nog in het Alt Neuland, het oude nieuwe land dat nog leeg was en dat daar zo hoopvol lag als het oudtestamentische Samaria. Maar er gebeurde iets waardoor het glazen plafond was bereikt. Ik veranderde mijn mening over Israël en werd op mijn eigen manier een voorvechter van de vredesbeweging." 

Gymnastiek 
Religie is niet per se nodig voor Chaim Be'ers nieuw te vormen Joodse identiteit. Hij beschouwt religie als een soort elektriciteit. "Je hebt het nodig voor het licht, voor de stroom." De Joodse religie verschilt van het christendom. Het laatste heeft veel meer van doen met geloof, de relatie tussen mensen en een transcendente macht, terwijl de Joodse religie meer weg heeft van een soort gymnastische oefening. Je moet je elke dag weer aan de wetten houden." 

Daarentegen behoort de Joodse religie wel tot de Joodse erfenis, het verleden, en dat heb je, benadrukt hij, nodig als referentie. "Veel mensen zijn niet meer religieus. Ook hier lopen de kerken leeg. Maar de kunst, de architectuur, de literatuur en de religie maken deel uit van de cultuur. Hoe maak je die toegankelijk? Het leven is als een auto besturen, je moet vooruit kijken, maar anderzijds heb je een spiegel. Telkens moet je daarin kijken. Als je dat niet doet, maak je een ongeluk, daar ben ik zeker van. Je moet vooruit kijken, maar ook achteruit en opzij. Je moet weten waar je vandaan komt om te weten waar je heen gaat." 

In een God gelooft Chaim Be'er niet. "Na Auschwitz is geloven moeilijk, verschrikkelijk moeilijk. Anderzijds geloof ik dat het kwaad zeker zal worden gestraft, ergens, op een bepaalde plaats. Zo nee, dan moeten we onze winkel sluiten." 

Afzondering
Chaim Be'er beschouwt de ultraorthodoxie in zijn land als problematisch. "Zij zondert zich volkomen af van de samenleving. Ze wil niet werken en ontvangt geld van de staat. Honderden en honderden jonge mensen die de hele dag studeren en wie moet dat betalen? Goed, als deze groep 5 tot 10 procent van onze maatschappij uitmaakt, is er weinig aan de hand. Wordt ze echter groter, dan dreigt het moeilijker te worden." 

Punt twee is dat de extreme orthodoxie zich tegen alles verzet, ten diepste ook tegen de natie Israël. "Ze vecht tegen goede betrekkingen met het buitenland, tegen homo's, tegen vrouwen die bij de Klaagmuur willen bidden, tegen het leger, tegen hervormingen, tegen alles. Ze wordt ook steeds nationalistischer, zoals degenen die je aantreft in de nederzettingen op de Westoever. Die haten werkelijk Arabieren. Zo rijst er elke week wel iets nieuws van ultraorthodoxe zijde. Terwijl ze toch de Messias verwachten. Als je weet dat de Messias komt, dan bereid je toch zijn komst voor, zou ik denken." Van de ultraorthodoxe agressie wordt hij moe. "Ik wil rustig mijn boeken kunnen schrijven zonder steeds in het geweer te hoeven komen." 

In politiek opzicht positioneert Chaim Be'er zich als links. Hij is niet actief betrokken in de politiek en voelt zich in dat opzicht eerder een dakloze, "een globaal en ideëel denker." Net als naar andere schrijvers wordt er naar hem geluisterd. "Niet door een Begin, Shamir of Netanyahu maar eerder door een Barak, Perez of Rabin." 

Zo'n tien jaar geleden werd zijn huis in brand gestoken. Hij trof een briefje aan waarop hij voor een verrader werd uitgemaakt omdat hij met links samenwerkte en voor vrede was. Alles in Israël is politiek geladen, verzucht hij. Ook als schrijver ontkom je daar niet aan. "Soms denk ik: het is genoeg. Er zijn jonge mensen die dit kunnen doen. Ik ben vijftig geweest en daarmee basta." 

Libanon
De terugtocht van Israël uit Zuid-Libanon beoordeelt hij als strategisch juist. "Hoeveel Israëlische soldaten kwamen er niet om en hoeveel anderen hebben wij niet gedood. In grote lijnen vind ik het een goed besluit. Zo juich ik het ook toe dat de Palestijnen een eigen staat krijgen. Mijn familie van moederszijde woont vanaf 1812 in Jeruzalem. Ik ben enorm gehecht aan de stad. Toch denk ik dat Jeruzalem een stad van twee landen moet zijn, een gedeelde stad." 

Niet lang geleden lunchte hij met Arafat in de Gazastrook. Het viel hem op hoe in het jonge Palestina dezelfde geest heerst als in het Israël net na 1948. "Ze zijn zo trots op hun eigen geld, hun eerste bank, hun vlag. En waarom niet? Ze zijn ons broedervolk. Soms denk ik: 2000 jaar geleden trok een deel van het Joodse volk weg in de diaspora en het deel dat bleef waren de Palestijnen. We lijken namelijk zo ontzettend veel op elkaar." 

Chaim Be'er verwacht dat er voor de definitieve vrede een hoge prijs moet worden betaald. "Ik ben wel eens bang dat er nog een verschrikkelijke oorlog komt. Verschrikkelijk, omdat we allemaal prachtige wapens hebben. In de talmoed staat een verhaal van een Joodse leider die zegt dat hij de komst van de Messias vreest. Hij is bang voor wat er zal gaan gebeuren en eigenlijk ben ik dat ook."