"Nee, ik was niet boos. Op de dood toen ik bij het sterfbed van mijn liefste zat", schrijft Clara Asscher-Pinkhof over de dood van haar man, die ze verloor toen ze 29 jaar jong was. 

"Ik heb vijf broers gehad, ik heb er niet één meer", schrijft ze over het gezin waarin ze opgroeide.
"Ik leerde het nooit, nóóit, te begrijpen dat ze er niet waren", schrijft ze over haar twee zoons, die na de Tweede Wereldoorlog niet terugkeerden. 

Aan het einde van een leven vol verliezen schrijft de Joodse auteur haar biografie, die voor de lezers ervan winst kan betekenen. Want Clara Asscher-Pinkhof heeft iets te zeggen. En ook van het onzegbare geeft zij iets door. 

Clara Pinkhof groeit op in een orthodox-Joods gezin in Amsterdam. Dat het hoofdstuk over haar jeugd "De goede herinneringen" heet, is veelzeggend. Ze kiest voor een opleiding als onderwijzeres en wordt al jong verliefd op rabbijn Avraham Asscher. Met hem gaat ze na hun huwelijk in Groningen wonen, waar snel na elkaar hun zes kinderen geboren worden. Zijn jongste dochter krijgt Avraham slechts één keer te zien. Hij ligt dan al in het Zwitserse ziekenhuis waar hij tevergeefs geopereerd zal worden. 

Clara voedt de kinderen alleen op. Om te voorkomen dat de eenzaamheid op haar valt wanneer zij 's avonds in bed liggen, schrijft ze kinderverhalen en houdt ze lezingen over opvoedkunde. Als de oorlog nadert, vertrekt haar zestienjarige dochter Roza naar Palestina. Langzamerhand wordt het gezin opgebroken. Afgebroken. Elie komt in krijgsgevangenschap en wordt later bevrijd. Menachem studeert aan het conservatorium tot hij zich met zijn jonge vrouw vrijwillig bij het Duitse emigratiebureau meldt. Ze keren niet terug. Jitschak wordt meubelmaker totdat hij moet onderduiken en op een nacht wordt weggehaald om evenmin ooit terug te keren. Meier overleeft de oorlog. Fieke duikt onder en overleeft ook. 

Zelf gaat Clara les geven in een Amsterdams getto, waar ze een begin maakt met "Sterrekinderen". Ze vraagt haar uitgever het manuscript te bewaren. Dan brengen de veewagens ook haar naar Westerbork. Ze ervaart de radeloosheid in de vrouwenbarak; ze ligt wakker in de baby- en peuterzaal waar ze iedere gil hoort; ze komt net te laat in de ziekenbarak waar haar vader juist gestorven is; ze maakt rugzakjes klaar voor de kinderen die weggevoerd zullen worden. En toch viert ze Chanoeka en toch geeft ze les en vertelt ze verhalen en maakt ze liedjes. 

Weerzien 

Ze neemt de zorg op zich voor de vierjarige Mindeltje, het doorschijnende veertje van wie het gerucht gaat dat haar ouders in Palestina zijn. Met Mindeltje komt ze in Bergen-Belsen, waar ze rust brengt onder de wanhoop uitkrijsende vrouwen. Door een wonder belandt ze op een uitwisselingslijst. Met haar moeder, met Mindeltje en met een paar honderd anderen wordt ze ondervoed en verzwakt per trein naar Palestina vervoerd. 

Ontroerend is haar beschrijving van die lange rit, ontroerend de beschrijving van het weerzien met haar dochter Roza. Later komt ook Fieke naar Palestina. Meier en Elie blijken te leven. Langzaam dringt door dat dit voor haar andere twee jongens en haar schoondochter níét geldt. 

De staat Israël wordt gesticht. Clara gaat studeren aan de Hebreeuwse universiteit, zodat ze vervolgens zelf weer kan lesgeven. Dan wordt het als vroeger. Overdag met de kinderen om zich heen kan ze haar eenzaamheid vergeten. Maar 's avonds spreekt ze die in gedachten uit voor Avraham. "Zeg me toch wat ik doen moet." Hij herinnert haar aan een droom waarin ze ooit een danseres zonder benen zag dansen. "Dans... dans... druk je hele wezen uit in de dans." "Hoe kun je dat zeggen, Avraham. Je weet toch dat ik geen benen meer heb om te dansen. Die zijn me afgenomen toen jij van me weg ging." "Och kind, je hebt immers al die dertig jaren gedanst..." "Toen had ik de kinderen bij me." "En in de kampen dan? Toen wist je niet eens of de kinderen er nog waren, - en toch heb je gedanst." "In de kampen had ik honderden kinderen." (...) "Je kunt het weer. Je kunt je wezen uitdrukken met al wat je behouden hebt. Je hebt zoveel behouden, - je weet zelf niet hoeveel. Dans, mijn lieveling, dans!" 
Ik heb gedanst." 

Sterrekinderen 

"Kinderen - alléén maar kinderen", zo luidt een hoofdstuktitel in Clara Asschers autobiografie. Haar liefde, belangstelling en begrip voor kleintjes ging ver. Geen wonder dat zij in het bijzonder haar aandacht hadden toen ze als vrijwilligster hielp in de Amsterdamse Schouwburg, waar na elke razzia de opgepakte Joden verzameld werden om gedeporteerd te worden. Geen wonder dat ze haar speciale aandacht hadden in Westerbork, in Bergen-Belsen en op reis naar Palestina. 

Zij zijn dan ook het onderwerp van "Sterrekinderen". Elk van hen krijgt een eigen hoofdstuk, geen van hen heeft een naam. Telkens is er weer eentje onder die miljoenen slachtoffers van de holocaust die Clara opvalt. De kleine jongen bijvoorbeeld die ziet hoe zijn omaatje wordt weggehaald uit het grote huis waarin ze woont met allemaal andere mensen die "stuk" zijn en iets niet kunnen bewegen. "Hoe kom je zo laat?" vraag meneer, als hij eindelijk op school arriveert. "Dan zegt hij, en zijn stem schiet schor en hard uit over de grote, stille klas: Ik kon er niet langs." 

Of het babymeisje dat in de Schouwburg aan de borst van haar moeder ligt. Ze drinkt nauwelijks, maar ze voelt zich veilig en tevreden, zo dicht bij moeder. Moet je niet even rusten, het kind naast je neerleggen op de matras, vraagt iemand. De moeder schudt het hoofd. Ze wordt niet moe, ze wil niet dat haar kind iets merkt, ze wil niet dat het huilt. Nooit. 

Elk portretje is verbijsterend. Elke geschiedenis maakt je koud. Als lezer kun je blij zijn dat het boek eindigt met het hoofdstuk "Uitverkoren sterren" over kinderen die in 1944 werden uitgewisseld en in Palestina terechtkwamen. Dat biedt tenminste nog iets van een happy-endgevoel. De realiteit is echter dat die kinderen slechts tot een handjevol behoorden. De meesten uit dit boek eindigden niet in Palestina, maar in gaskamers of ziekenbarakken. En omdat hun stem in "eeuwig zwijgen zou zijn ondergegaan", zoals de achterflap zegt, heeft de schrijfster hun mond willen zijn. Het is goed en nodig dat zij blijvend gehoord wordt, hoe huiveringwekkend haar verhalen ook zijn. 

De koopbrief 

Van andere orde is "De koopbrief", omdat dit boek een roman is, al zitten er wel degelijk autobiografische elementen in. De Joodse Joseph Prager uit "De koopbrief" van Clara Asscher-Pinkhof is intelligent genoeg om medicijnen te gaan studeren. Eenmaal volwassen laat hij zijn riante doktershuis en z'n bloeiende praktijk in Nederland achter, om met zijn gezin in het Palestina van begin twintigste eeuw aan een eigen staat voor mede-Joden te bouwen. "Voor zijn geloofsgenoten", zegt de achterflap van deze herdruk. Wat dat geloof inhoudt, is echter vaag geworden in het leven van Joseph. Maar de traditie, sociaal idealisme en een diepe verbondenheid met hun volk blijken voor hem en zijn vrouw Dina voldoende om alle comfort op te geven. 

Ze worden er niet armer van. Als hij na jaren tijdelijk in het vaderland terugkomt, ervaart Joseph hoe zijn familie en vrienden daar "hopeloos gekluisterd" zijn geraakt aan hun "maatschappelijke positie" en "sociale verplichtingen." Of zoals zijn ambitieuze studiegenoot Keuning het verwoordt: "Ik benijd je, Prager. Ik mag dan al bereikt hebben wat ik wilde - jij hebt meer bereikt. Jij leeft, en ik word geleefd." 

Dat, en de wonderlijke weg die het volk van Israël al eeuwen gaat, wordt door Clara Asscher-Pinkhof ook in deze roman prachtig ingetogen beschreven. De titel refereert aan Jeremia 32, waar Jeremia een akker koopt als teken van waarborg voor Israëls herstel. In 2001 is deze roman ook nog heruitgegeven. Volkomen begrijpelijk kreeg hij toen enkele keren een plaats in de RD/CLK-Boekentoptien. 

N.a.v. "De danseres zonder benen", ISBN 90 435 0944 2; 302 blz.; "Sterrekinderen"; ISBN 90 435 0946 9; 206 blz. en "De koopbrief"; ISBN 90 435 0945 0; 239 blz.; door Clara Asscher-Pinkhof, uitg. Kok, Kampen, 2003.