De ikpersoon wordt door de dood van zijn moeder geconfronteerd met zijn plaats in het religieuze landschap van vandaag. Dit komt concreet tot uiting in de moeilijkheden die hij tegenkomt bij zijn pogingen zijn moeder een joodse begrafenis te geven. Hoewel zijn moeder nog slechts joods was omdat ze haar joodse afkomst nooit heeft willen afzweren, zou dit niet zo'n probleem zijn. Haar man was echter christen en werd op een christelijke begraafplaats begraven is. De ikpersoon wil nu graag dat zijn moeder op joodse wijze in het graf van zijn vader gelegd wordt. Maar dat is onmogelijk, zeggen de mensen uit de joodse gemeenschap. Uiteindelijk vindt hij een protestantse predikant bereid om zijn moeder een joodse begrafenis te geven. 

Toch is met deze welwillende potpourri van joodse en christelijke invloeden het probleem niet opgelost. De kernvraag is: waar hoort de hoofdpersoon nu zelf? "Misschien ben ik jood, misschien ben ik christen". Het jodendom verwijt hij zijn liefdeloze systeembouw, het christendom onder andere zijn klakkeloze acceptatie van Hitlers plannen. En God verwijt hij dat Hij in Auschwitz niets gezien heeft. 

Daarbij komt nog het wrange feit dat zijn joodse moeder de holocaust heeft overleefd door haar huwelijk met een christelijke man. 
Daar bracht de combinatie van jodendom en christendom het behoud van leven tot stand! Niet dat zijn moeder dat leven zo vreugdevol tegemoet zag. Ze was geestelijk gebroken de oorlog uitgekomen: "Zonder herinnering leven we als eendagsvliegen, zonder vergeten sidderen we een leven lang voor de dood die huist in de toekomst en in het verleden". 

De hoofdpersoon is door zijn verleden gedwongen zich rekenschap te geven van zijn positie ten opzichte van christendom en jodendom, maar lijkt geen van beide te willen accepteren. 

En toch zegt hij, die geen getuigenis wilde afleggen dat God goed en rechtvaardig is, aan het einde van het boek, kaddisj (een soort hymne op Gods regering), zij het fluisterend. Met dat open einde laat de schrijver de lezer achter, om verder te denken over de verhouding jood-christen. 

N.a.v. "Een joodse begrafenis", door Lothar Schöne, vert. Gerrit Bussink; uitg. Wereldbibliotheek, Amsterdam, 1997; ISBN 90 284 17869; 149 blz.