Amateur of niet, bij het schrijven van zijn eerste grote verhaal ging Van de Kamp (1948) niet over één nacht ijs. Eerder publiceerde hij al een briefwisseling en een bundel met korte Joodse anekdotes. Om zijn nieuwe roman te laten overtuigen, zocht de rabbijn, in het dagelijks leven CDA-fractievoorzitter in Amsterdam-Zuid, zelfs steun bij het ministerie van Defensie. "Iemand daar heeft voor me uitgezocht hoe je in de oorlog van Den Haag naar Lublin kon komen." Want dat is de reis die de hoofdpersoon, de jonge Joodse Jossele, maakt. Na de Tweede Wereldoorlog vertrekt hij vanuit Nederland via Berlijn naar het Poolse stadje waar hij oorspronkelijk vandaan komt. 

Tijdens de oorlog legt hij dezelfde route in tegenovergestelde richting af. Als zijn moeder overleden is -zijn vader leeft al langer niet meer- moet hij zijn broertjes en zusjes in Lublin achterlaten, en vertrekt hij naar zijn oom Pinchas en tante Gittel in de Scheunenwijk in Berlijn. Wanneer het daar voor Joden te gevaarlijk wordt, wijkt het gezin uit naar Scheveningen.
"Daar is mijn verhaal begonnen," zegt Van de Kamp. In de jaren '80 was hij rabbijn van de Haagse Joodse gemeenschap. Het is volgens hem belangrijk haar geschiedenis vast te leggen. "Als hier niets van op papier komt, vergeet iedereen dat daar zo'n gemeenschap geleefd heeft." 

Identiteit
Om een vergelijkbare reden is "Blijf daar, kom niet!" doorspekt van Jiddische en Hebreeuwse begrippen, met verklarende lijst overigens. "Het eigen karakter van de gemeenschap moest bewaard blijven. Dat had ik mij van tevoren voorgenomen, anders zou ik niet eens aan het boek begonnen zijn." 

De rabbijn weet nog niet welke passage hij vanavond tijdens de boekpresentatie gaat voorlezen. Een gebeurtenis die zich afspeelt rond Scheveningen of Den Haag heeft zijn voorkeur omdat hij ook kinderen en kleinkinderen van de Joden uit de Haagse gemeenschap heeft uitgenodigd. Wat voor hem de meest aangrijpende passage is, kan hij niet zeggen. "Eerst dacht ik dat het de liquidatie van de 120 Joodse weesmeisjes in het Poolse Lublin was. Maar ik ben er nu achter dat de sfeer die tussen de jaren '45 en '48 in Scheveningen heerste minstens zo indrukwekkend is. Jossele, die na de oorlog terugkeert in Scheveningen, die bij het huis van zijn oom en tante staat. De leegte, de kilte, de angst en onzekerheid die hem treffen, de vraag wie er aan de deur zal komen als hij op de deurbel drukt, de vraag of hij zijn familie ooit nog zal terugzien." 

Wannseeconferentie
"Ik kies eerder voor de emotionele drama's dan voor grote gebeurtenissen", concludeert Van de Kamp. Toch verwerkt hij in zijn boek een flink aantal belangrijke historische momenten: het pogrom in de Scheunenwijk in Berlijn, de Wannseeconferentie, het bombardement op Dresden - en dat is nog maar een deel van alles. 

Jossele maakt al die gebeurtenissen mee. Hoe waarschijnlijk is dat?
"Je zou inderdaad tien mensen bij elkaar moeten zetten om aan dit verhaal te komen."
Bedachtzaam: "Voor één persoon is het bijna onmogelijk. Ik heb in mijn boek al genoeg moeite de jongen op de juiste datum op de juiste plaats te krijgen. Maar mijn uitgangspunt is de geschiedenis vast te leggen om te voorkomen dat getuigenissen verdwijnen. Ik laat Jossele bewust een tussenstop in Berlijn maken om de situatie van de Joodse wijk na de oorlog te kunnen beschrijven. Dresden noem ik om te laten zien hoe de situatie daar was toen het bombardement de stad trof. De Duitse mannen zaten aan het front, alleen vrouwen en vluchtelingen waren aanwezig. Mensen zoals Jossele en zijn broer, zoals de rebbe die met hen meereisde." 

De Joodse Jossele bezoekt als verzetsspion de Wannseeconferentie.
"Dat klopt. Bij het proces tegen Adolf Eichmann in de jaren '60 is gebruik gemaakt van informatie die kennelijk gelekt was van die conferentie. Hoe precies, is niet duidelijk. Ik zeg niet dat het op deze manier gegaan is, maar het is een mogelijkheid." 

Wie ziet u als de doelgroep voor uw verhaal?
"Alles wat boven de twaalf, dertien jaar zit. In mijn bewoordingen houd ik daar rekening mee. Geen grof taalgebruik, ook al was dat onder de Duitsers gemeengoed. Geen directe confrontatie met doden. Wel angst en onzekerheid bij de personages. Mijn eigen jongste dochter -nu zestien, toen dertien- heb ik mee laten lezen. En kinderen van het Cheider, de Joodse school hier in Amsterdam. Jongeren van nu zijn wel wat gewend, maar deze kinderen leven in een orthodox-Joodse gemeenschap en kijken geen tv." 

Als Jossele zijn broers en zusje gaat zoeken, moet hij baard en bakkebaarden afscheren. "Het viel hem zwaar" schrijft u. Hoe ingrijpend is dat?
"Onder normale omstandigheden heel ingrijpend. Nu beseft Jossele dat het niet anders kan. Maar ook de chassidische, de streng-Joodse wereld om hem heen wordt steeds kleiner. Eerst Lublin, dan de Joodse wijk in Berlijn, vervolgens de kleine gemeenschap in Scheveningen. Het psalmboekje dat hij in de dubbele bodem van zijn tas bewaart is het enige dat overblijft." 

Gebalde vuisten
Dat de oorlog op de geloofsbeleving van de Joden verschillende uitwerkingen kon hebben, blijkt wel uit de houding van twee personages: Alexander en Jossele. De laatste put kracht uit zijn geloof, de eerste twijfelt aan Gods bescherming. Van de Kamp: "Hij is vol onbegrip dat twee mensen Pesach vieren, als hij nog maar net van de gaskamer is gered." 

'Maar de Eeuwige heeft ons uit hun hand gered', citeerde reb Shmueel. 'Heeft ons gered?' klonk plotseling uit de hoek. 'Hoe kun je dat nou zeggen? Hoe kunnen jullie dit nog doen na alles wat er gebeurd is?' De vier mannen keken op. Alexander kwam dichterbij. Met gebalde vuisten stond hij naast de tafel. () Hakadosj Baroech Hoe is ons vergeten. Hij heeft afscheid genomen. Ik heb Hem tenminste niet meer gezien sinds de dag dat ik ons sjettel moest ontvluchten. Waar was Hij toen mijn ouders, mijn broertjes en zusjes, mijn opa en oma in de sjoel werden opgesloten?' 

Heeft u een verklaring voor deze verschillen?
"Na de oorlog maken Joden verschillende keuzes. Het ene deel houdt hecht vast aan alles wat voorbij is. Het andere deel gooit alles overboord met de herinnering aan voorbije geborgenheid en het rijke religieuze leven dat vernietigd is." 

De rabbijn bladert in het boek en citeert:
'Wat jullie hier doen, dat deden wij thuis ook. Maar waar is de wijn, het maror, het bitterkruid, de peterselie en het zoutwater? Dat bestaat niet meer op deze wereld! Dat heeft de Eeuwige meegenomen naar Zijn wereld. De kampen, dood en onheil bleven achter' Onverwacht zweeg Alexander. De anderen wisten niets te zeggen. Zij hadden geen antwoord. Zij hadden niets - dan hun geloof.
"Ik heb een goede vriend uit de Haagse gemeenschap. Met hem had ik veel gesprekken. "Als er een God is, klaag ik hem aan voor oorlogsmisdaden", zei hij. Ik moest als rabbijn pastoraal met hem omgaan, antwoorden geven - onmogelijk. Ik zei: "Herman, als jij dat zegt, kan ik niet anders dan zwijgen." Op zo'n moment kan ik niet aanmatigend zeggen: Ik ben rabbijn, ik moet mijn religie verdedigen.
Na de oorlog werden in het Duitse Buchenwald Joodse weeskinderen gevonden. Degenen die zich de Joodse gebruiken nog van vroeger konden herinnerden, lieten religie in hun verdere leven vaak voor wat het was. De kinderen die te jong waren om nog iets van godsdienstige plichten in het gezin te kunnen herinneren, grepen juist terug naar de traditie. Die tweedeling zie je meer." 

Pastoor
'Zyds mogen niet gered worden. De pastoor heeft het gisteren nog in de kerk gezegd. De Duitsers zijn ónze vijanden. Maar de Joden zijn de vijanden van onze God. De pastoor zegt dat het hun eigen schuld is wat er met hen gebeurt.' Toen sloeg de man een kruis.
Plakt u hiermee de rooms-katholiek niet een sticker op?

"De katholiek die Jossele tegenkomt, is een eenvoudige visser. Die leverde een Jood in de oorlog zo af bij de nazi's. De conservatieve, Poolse kerk is nog steeds zo. Met een herkenbaar Joods gezelschap liep ik op een pinks terochtend door een Pools dorpje. Een gezin kwam de kerk uit. De vader boog zich naar zijn kinderen. "Kijk, zyds!" zei hij. Met zijn rechterhand maakte hij een gebaar langs zijn nek.
Ze zeggen wel eens dat in Nederland het antisemitisme groeit. Ach, ik word wel eens nageroepen als ik met mijn keppeltje en baard over straat loop, maar dat gebeurde ook al toen ik jongen was." 

N.a.v. "Blijf daar, kom niet!" door Lody van de Kamp, uitg. Mozaïek, Zoetermeer 2006; ISBN 90 239 9183 4; 211 blz.