Mijn grootvader van vaderszijde ving mollen, mijn vader ving mollen en ik, tja, ik ving ook mollen. Genetische overerving noemen ze dat. Mollenmoord met voorbedachten rade. Omdat ’t niet anders kon. Wie niet ving, zou ook niet eten. In elk geval niet uit de eigen tuin, zoals in het geval van m’n opa.

Hij was een mollenvanger pur sang, in z’n schaarse vrije tijd. ”Beroeps” waren ze er ook, meen ik. In het westelijk waardengebied, waar m’n voorgeslacht woonde, was het mollenvolk vaak een ware plaag. Opa hield de seizoensvangst bij op de achterkant van z’n sigarendoos: vele, vele tientallen. Het was de tijd dat roken nog onverdacht was.

Mollen vangen deed m’n opa in de eigen hof en in de buurt. Boomgaarden, weilanden, groentetuinen. Een érg intelligente mol bleef hem een enkele dag uit handen, uiteindelijk gingen ze allemaal voor de bijl. Ik herinner me dat de vangers een luttel bedragje vingen voor elk mollenvelletje dat ze een opkoper leverden. Of een jasje van mollenbont echt lekker zat, geen mens die het meer kan vertellen. Het was de tijd dat bont nog onverdacht was.

Ook mijn vader ving mollen, in onze siertuin, toen in een dorp aan de rand van de Gelderse Vallei. Geen vele tientallen per jaar, maar wel de nodige. We woonden tegen een weidegebied, maar rulle tuingrond bleek nog veel aantrekkelijker voor de familie mol. Toen m’n vader –getergd vanwege het zóveelste geruïneerde gazon– besloot de tuin ondergronds af te gazen, bleek dat een misrekening. Mollen plegen namelijk ook bovengronds tuinen in te wandelen. En ze konden die van ons nadien ondergronds moeilijk zelf verlaten vanwege de barricade.

Als jongetje van tien of twaalf vond ik de mollenjacht heroïsch, maar toch ook sneu. Elk slachtoffer dat het leven liet in de klem of bij een uit-de-grond-steekactie kreeg van mij een piëteitsvolle teraardebestelling. In een wijnkistje, indien voorhanden, of in een schoenendoos. Op elk mollengraf verrees ook een gedenkteken en zo stond er na verloop van tijd een rij provisorisch getimmerde kruisjes van aanmaakhoutjes langs het hek. Dat het móést: mollen doden, daaraan twijfelde ik niet. Dat het verdrietig was: zulke fraaie beestjes ombrengen, daarvan was ik overtuigd.

Toen later mijn eigen moestuin werd verwoest, greep ook ik in. Eerst vriendelijk, met allerlei molverdrijvende huismiddeltjes die niet werkten. En dan aansluitend onvriendelijk: met een doeltreffende mollenklem of –thuis afgekeken en zeer afdoende– met de spa in de aanslag op je tenen naar de bewegende molshoop en dan: wham! Mol eruit en een harde klap. Finitum Talpa europaea.

Het voorjaar hangt in de lucht. Ik voel het, ik ruik het. Het mollenseizoen breekt aan, de verse hopen in weilanden en plantsoenen bewijzen het. We hebben nog steeds een tuin, maar niet meer van dien aard dat mollen er veel aan kunnen bederven. Ben ik daar rouwig om? Nee.

Waarom niet? Nou, ik kwam een artikel tegen waarin de lof van de mol werd bezongen. Hoe leuk, lief, ingenieus, nuttig en aaibaar hij is. Deze derde generatie mollenjager heeft z’n klemmen aan de wilgen gehangen en dat voelt prima. Ik weet mij niet langer geroepen tot het uitvoeren van deze wrede taak. Alle moestuinbezitters: sterkte!

MAX