ZWOLLE - Kerkelijke gemeenten bemoeien zich nauwelijks tot helemaal niet met jongeren die in zogeheten keten op het platteland bij elkaar komen. Dat is een van de bevindingen van zes studenten sph (sociaal pedagogische hulpverlening) van de Gereformeerde Hogeschool in Zwolle die werken aan een afstudeerproject over jongerenketen. „De kerk keurt het keetbezoek weliswaar af, maar komt niet met een alternatief.”

Wietse de Groot onderzocht de afgelopen maanden met zijn medestudenten Ben Waardenburg, Joanne Maljaars, Sjoukje Elzinga, Willemijn de Bruine en Hanna Veenstra het reilen en zeilen rond keten in Urk, Staphorst, Sint-Jansklooster, Barneveld en Putten. „We interviewden kerkelijk werkers en ouders. Zo’n negentig jongeren, die gemiddeld 4,7 avonden per week in een keet vertoeven, lieten we een enquête invullen”, aldus De Groot.

Hoe ging het er in de keten aan toe?
„Een eerder onderzoek van Stichting Alcoholpreventie (STAP) wees uit dat jongeren in keten gemiddeld een halve krat bier per persoon per avond zouden drinken. Wij vinden die conclusie wel erg algemeen, al past natuurlijk wel de kanttekening dat wij maar een uurtje in zo’n keet zijn geweest.

In sommige gevallen belandden we inderdaad in situaties waar jongeren uitermate veel alcohol gebruikten. In een van de onderkomens dronken de bezoekers bijvoorbeeld meerdere halve liters.”

Het viel de sph-studenten op dat de oudere keetbezoekers zich met meer verantwoordelijkheidsgevoel gedragen dan de jongere. „Bovendien gaat het er niet in elke keet ruig aan toe”, zegt De Groot. „In de stacaravans of schuurtjes is -afgezien van het toezicht door een enkele ouder- weinig controle op het gedrag van de jongeren. Ze beïnvloeden elkaar enorm. De een wil niet voor de ander onderdoen.”

Welke rol spelen de ouders?
„Bij een keet in Barneveld hadden ouders strakke regels opgesteld. Zo was dronkenschap strikt verboden, op straffe van sluiting van de tent.

Maar niet elke ouder is goed op de hoogte van wat zich binnen een keet afspeelt. Ook de gevaren van alcohol worden door hen onderschat. De ouders zijn vaak al blij als hun kind geen drugs gebruikt. Alcohol is maatschappelijk geaccepteerd. Het is een onderdeel van de jongerencultuur en veel vaders en moeders gedogen het.”

Waar komt die lakse houding van ouders vandaan?
„Dat heeft voor een deel te maken met de plattelandscultuur. Ouders voelen niet de noodzaak iets aan de ketenproblematiek te doen, ook niet als de onderkomens weer eens negatief in het nieuws zijn. Veel ouders onderschatten het drankprobleem. Ze geven hun kind de vrije teugel. Laat die jongen toch lekker drinken, straks trouwt hij en dan gaat het vanzelf wel over.”

Uit het onderzoek van de sph-studenten blijkt dat bijna 90 procent van de ondervraagde jongeren een kerk bezoekt. Velen van hen bleken niet veel met de kerk op te hebben. „Jongeren in Barneveld zeiden ons dat ze van de kerk wel een soos hadden, maar dat ze dat te saai vonden”, aldus De Groot. „De jongeren gaven aan hun eigen muziek te willen draaien. Bovendien krijgen ze in de kerkelijke soos -uiteraard- geen kans te experimenteren met hun drankgebruik.”

Hoe moeten kerken met dit dilemma omgaan?
„Om te beginnen zouden kerken de ketenproblematiek niet uit de weg moeten gaan. Opvallend was dat geen enkele kerkelijke gemeente een beleid voerde ten aanzien van de toestanden rond keten. Een predikant ontkende zelfs in alle toonaarden dat jongeren uit zijn kerk een keet zouden bezoeken.”

Bij zowel ouders als kerken overheerst volgens De Groot toch een beetje de gedachte: als de jongeren in een keet zitten, weet ik tenminste waar ze zijn en dan komen ze in ieder geval niet in het café of de disco.

„Ouders zijn eerstverantwoordelijke voor hun kinderen, maar een meer intensieve bemoeienis van de kerk zou heel goed zijn. Er zou bijvoorbeeld een jeugdouderling langs de keten kunnen gaan. Juist de keetjeugd heeft niet zo veel met de kerk op en vormt dus een risicogroep. De gemeente zou juist in die groep moeten investeren.”